Minister van BZ Beelaerts van Blokland aan minister van Financiën De Geer

Ministerie van Buitenlandse zaken

Afdeeling Volkenbondszaken.

's Gravenhage, den 20 October 1928.
[gestempeld met: ingekomen bij het Departement van Financiën 23 OCT. 1928, Gen. Thes. ing 24 OCT 1928]

Nº 32204

Zijner Excellentie Den Heere Minister van Financiën.

Toen de Secretaris-Generaal van den Volkenbond bij zijn circulaire C.L.150, 1927, dd. 31 October 1927, waarvan Uwer Excellentie een afschrift werd toegezonden bij mijn missive van 8 November 1927, Afdeeling Volkenbondszaken, No. 32832, een laatste beroep deed op de Leden van de Volkenbond om financieelen steun te verleenen voor de verwezenlijking van het plan voor vestiging der Armenische vluchtelingen in de Republiek Erivan, heb ik ingevolge het overleg met Uwe Excellentie – waarvoor ik moge verwijzen naar Hare brieven van 16 Augustus 1927, Afdeeling Generale Thesaurie No. 5 en van 17 november 1927, zelfde Afdeeling, No. 71, daarop doen antwoorden, dat de Nederlandsche Regeering het ten zeerste zou betreuren, indien, na alle pogingen door Dr. Nansen ondernomen om aan het zwaar getroffen Armenische volk te hulp te komen, deze laatste poging ter vestiging van de Armenische vluchtelingen op hun geboortegrond opgegeven zou moeten worden om financieele redenen. Indien afdoende waarborgen verschaft zouden kunnen worden voor de praktische verwezenlijking van het plan en indien de deelneming van alle geinteresseerde Staten verzekerd zouden zijn, zou de Nederlandse Regeering zich niet afzijdig houden.

De verwezenlijking van het bovendoelde plan is in de Negende Vergadering en in de 52e Raadszitting wederom ter sprake geweest. Volgens een besluit van den Raad werd den Secretaris-Generaal van den Volkenbond opgedragen zich met de Regeeringen, die toezeggingen hadden gedaan, in verbinding te stellen ten einde dezen af te vragen, of zij bereid zijn deel te nemen aan de steunverleening. Dientengevolge ontving de Gezant te Bern het in afschrift hierbij overlegde schrijven dd. 11 October 1928 van den Secretaris-Generaal. Deze stappen houden in de eerste plaats verband met de toezegging van Duitschland, dat een crediet op langen termijn van hoogstens 1.000.000 Reichsmark wil verleenen, mits minstens vier andere landen meehelpen.

Gaarne zal ik thans van Uwe Excellentie vernemen of Zij zich ermede kan verenigen, dat thans een definitieve toezegging – onder voorbehoud van de parlementaire goedkeuring – omtrent het verleenen van steun door de Nederlandsche Regeering zal worden gedaan. Naar ik onderhands vernam, zou voor de verwezenlijking van het plan van Nederland een bijdrage van £ 1000 (Eenduizend Pond Sterling) noodig zijn.

Ik moge Uwe Excellentie erop wijzen, dat deze aangelegenheid werd aangeroerd in paragraaf 6 van het Voorloopig Verslag van de Eerste Kamer over hoofdstuk III van de Staatsbegrooting voor 1928.

De heer Fridtjof Nansen, Hooge Commissaris van den Volkenbond voor de vluchtelingen, heeft, in een persoonlijken brief dd. 12 dezer aan mij gericht, het verzoek van de Secretaris-Generaal onderstreept. Afschrift van dezen brief gaat hierbij.

Ik zend Uwe Excellentie hierbij toe de verschillende stukken van de Negende Vergadering en van den Raad over de vluchtelingenkwestie te weten:

a) Rapport aan de Negende Vergadering (A.33.);
b) Rapport van de 5e Commissie aan de Vergadering over de algemeene vluchtelingenkwestie (a.76);
c) Rapport van de 6e Commissie aan de vergadering over de vestiging van de Armenische vluchtelingen in de Republiek Erivan (A.80), waarin voorkomt de door de Vergadering aangenomen resolutie;
d) Gedeelten van de procès-verbaux van de 52e Raadszitting, betrekking hebbende op de onderhavige kwestie (2275 en 2296.).

De Minister van buitenlandsche Zaken,

Beelaerts van Blokland

[bijlage]

Copy

32204

FRIDTJOF NANSEN

LYSAKER den 12th October 1928.

Jonkheer F. Beelaerts van Blokland, Ministre des Affaires Etrangères, The Hague.

Dear Mr. Beelaerts van Blokland,

You may probably have received a letter from the Secretary General of the League of Nations about a contribution to the settlement of the Armenian Refugees in Armenia. I venture to draw your kind attention to this question, which I think is of some importance. The German Government has made it a condition for their credit to this scheme that four nations besides themselves should participate in it. Now the Dutch Government is one of the few which answered favourably to the appeal of the Council, and it is therefore my hope that the Dutch Government will decide to give a contribution in some form and thus help to secure that something at least can be done for the Armenian Refugees, although some of those who have pledged themselves in the past, seem to have decided to forget their promises. If Holland joins, it is to be hoped that six nations will take part in the action for the refugees, viz. Holland, Germany, Norway, Luxembourg, Roumania and Greece and perhaps some other may joint later.

Please forgive that I trouble you with this, but I consider it to be important that the League of Nations should not fall in this matter altogether, and that the work should be carried out under its auspices.

Believe me, with the assurance of my highest consideration,

Yours very sincerely,

(s) FRIDTJOF NANSEN.

Bron: Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Financiën: Dossierarchief, 1831-1940, nummer toegang 2.08.41, inventarisnummer 1439.

Colofon