Gezant Parijs Loudon aan minister van BZ Van Karnebeek

Gezantschap der Nederlanden

Parijs, den 26 April 1920.
[gestempeld met: ingekomen Buitenl. Zaken 27 APR. 1920, Exh: 28 April 1920, Kabt. No. 19]

Nº 1337/586

Mandaat voor Armenië.

Zijner Excellentie den Heere Minister van Buitenlandsche Zaken enz. enz. enz. te 's Gravenhage.

Naar aanleiding van het persbericht uit San Remo volgens hetwelk, indien Amerika op het hernieuwd verzoek van den Conseil Suprème, volhardde bij zijn weigering om een mandaat voor het bestuur over Armenië te aanvaarden, Nederland het eerst onder de neutrale staten daartoe zou worden aangezocht, had ik eergisteren een onderhoud met den Heer Léon Bourgeois. Deze had generlei bericht ter zake en zeide mij dat in verband met de laatste openbare vergadering van den Raad van den Volkenbond niet beraadslaagd was over de vraag welke mogendheid zou worden aangezocht indien Amerika bleef weigeren. Hij zelf voelde zeer veel voor een mandaat aan Nederland, te meer toen ik hem de tengevolge der oorlogsverklaring gestaakte missie-Westenenk in herinnering bracht. Hij meende dat eventueel de Nederlandsche beheerder zich omringen zou van een staf van Nederlandsche adviseurs en dat uit de gewapende macht die, naar gezegd werd, te Erzeroum reeds bestond, de kern van een gendarmerie gevormd zou kunnen worden, terwijl het van zelf sprak, dat de Volkenbond een financieele regeling zou moeten treffen. Het geheele plan is, blijkbaar ook in de gedachte van den Heer Bourgeois, nog zeer weinig omlijnd. Intusschen acht ik mijn plicht Uwer Excellentie's aandacht voor zooveel noodig er op te vestigen, voor het geval dat aan Nederland inderdaad een mandaat in den bedoelden zin werd aangeboden.

De Gezant

J. Loudon

Bron: Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Buitenlandse Zaken: Kabinet en Protocol, 1871 - 1940, nummer toegang 2.05.18, inventarisnummer 47/110.

Colofon