Gezant Constantinopel Van Welderen Rengers aan minister van BZ Van Karnebeek

Gezantschap der Nederlanden

Constantinopel, den 22 Mei 1920.
[gestempeld met: ingekomen Buitenl. Zaken -? JUN. 1920, Exh: 9 Juni 1920, Kabt. No. 21]

Nº 958/172

Armeensch Mandaat.

Zijner Excellentie den Minister van Buitenlandsche Zaken te 's Gravenhage.

Hiernevens heb ik de eer Uwer Excellentie een hoofdartikel uit het “Journal d'Orient” te doen toekomen, waarin de Armenische nationale wenschen in hun geheel uiteen worden gezet. Tevens gaat hierbij een courantenuitknipsel, waaruit UwHoogWelGeboren zal gelieven te ontwaren, dat eene eventueele opdracht aan Nederland om Armenië bij hare bestuursinrichting te helpen, in laatstgenoemd land op weinig sympathie zal kunnen rekenen.

Afgezien hiervan ben ik ook van bevriende Turksche zijde tegen de aanneming door Nederland van een mandaat voor Armenië gewaarschuwd geworden. Bedoelde raad was geheel belangeloos, daar de Turken zelve volkomen overtuigd zijn, dat wat er ook gebeurt, Armenië bij deze gelegenheid van het Ottomaansche Rijk zal worden afgescheiden.

Er werd mij dus medegedeeld, dat de Armenische hoogvlakte een in geringe mate door de natuur bevoorrechte landstreek is. De grond is niet vruchtbaar, er zijn geen ertsen, de bevolking is er zeer schaarsch en deze wordt voortdurend door de nomadische Koerden lastig gevallen, onder het beweren, dat een groot deel van het gebied, dat de Armeniërs als aan hen behoorend beschouwen, eigenlijk bij Koerdistan gerekend moet worden.

Zoo er eenige voordeelen te behalen waren geweest, zouden Engeland, Frankrijk of de Vereenigde Staten van Amerika zich gehaast hebben om een betrekkelijk mandaat op zich te nemen. Nu zulks niet het geval is, zoekt meer in het bijzonder Engeland naar eene andere Mogendheid, die zich hiermee zou willen belasten, aangezien het er belang bij heeft, dat, zoo mogelijk, Koerdistan en Armenië levensvatbare staten worden, ten einde te voorkomen, dat Mesopotamië, waarvan het een mandaat erlangd heeft, nabuur van het Turksche Rijk blijve.

Tot zoover mijn zegsman. Afgescheiden hiervvan wil het mij echter voorkomen, dat de Armenische kwestie in de naaste toekomst nog tot zoovele moeilijkheden aanleiding kan geven, dat eene Mogendheid zich wel ter dege bedenken mag, alvorens zij hare behulpzame hand aanbiedt.

Door de belangstelling, waarin de Armeniër zich verheugen mag, eene belangstelling die alleszins gerechtvaardigd is, is hij zeer verwend geworden en zou hij wel eens zeer moeilijk te bevredigen blijken te zijn. Dit blijkt vooral in het netelige vraagstuk van de bepaling der grenzen van den nieuwen staat. Zooals Uwer Excellentie bekend noemen de Armeniërs Cilicië en de daarvan ten Noorden gelegen streken: Klein-Armenië, en zouden zij deze streken bij het eigenlijke Armenië gevoegd willen zien. Tusschen Klein- en het eigenlijke Armenië ligt een geheel Turksch gebied; dat wil men echter annexeeren om een aangesloten grondgebied te verkrijgen met uitmondingen zoowel op de Zwarte Zee als de Middellandsche Zee. Deze eisch ging vooral Frankrijk weer te ver en naar verluidt, is zij dan ook afgewezen geworden door de Konferentie. President Wilson is n.l. uitgenoodigd om de grenzen van het nieuwe Rijk vast te stellen, maar onder bepaalde voorwaarden, waaronder deze, dat Klein-Armenië uitgesloten blijft. Dan doet zich de kwestie voor van Trebizonde, hetwelk met zijn omgeving eveneens opgeëischt wordt. Ook hierin heeft men te Parijs gemeend niet in allen deele aan de Armenische verlangens tegemoet te kunnen komen. Bedoeld Vilayet blijft namelijk Turksch, alleen krijgt Armenië een handelsuitweg over deze haven, zooals aan Bulgarije ten opzichte van Dede Agatch is toegestaan. Dit alles te zamen maakt, dat zelfs bij het tot stand komen van een vrij en onafhankelijk Armenië, bevrediging van nationalistische wenschen daar verre te zoeken zal blijken te zijn.

Ten slotte is er het Bolsjewistisch gevaar, dat van uit het noorden dreigt en nu reeds de republieken Azerbeidjan en Erivan (Russisch Armenië) heeft besmet. Het is maar al te zeer te vreezen, dat de beweging niet voor de oude Turksche grens halt zal maken. Men moet n.l. niet vergeten, dat de gegoede Armeniërs niet in hun vaderland wonen; een eventueel tegenwicht tegen theoriën, die bij de niets bezittenden, zooals blijkt, zoo gemakkelijk ingang vinden, wordt in bedoelde streken in nog mindere mate aangetroffen dan zulks reeds in Rusland het geval was.

De Gezant

Van Welderen Rengers

[handgeschreven aantekening]
Kennisgeving

Bron: Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Buitenlandse Zaken: Kabinet en Protocol, 1871 - 1940, nummer toegang 2.05.18, inventarisnummer 47/110.

Colofon