Gezant Rio de Janeiro Von Zeppelin Obermüller aan minister van BZ Van Karnebeek

Rio de Janeiro, 14 december 1920
[gestempeld met: ingekomen Buitenl. Zaken 18 JAN. 1921, geagendeerd 19 JAN. 1921, afgeschreven 26 JAN. 1921]

Nº 3173/444

Politiek: Volkenbond
Brazilië en Armenië.

Aan Zijne Excellentie den Heere Jhr. Mr. Dr. H.A. van Karnebeek, Minister van Buitenlandsche Zaken, enz. enz. enz. te 's-Gravenhage.

Ik heb de eer Uwer Excellentie beleefdelijk te berichten, dat de half-ambtelijke “Jornal do Commercio” alhier onlangs de volgende drie telegrammen publiceerde, onderscheidenlijk gedagteekend Genève 5 November jl, Rio 29 November d.a.v. en Genève 2 dezer:

I. van den voorzitter van de bijeenkomst van den Volkenbond aan den Minister van Buitenlandsche Zaken alhier:

De Algemeene Vergadering van den Volkenbond nam op 22 dezer eene, in de volgende bewoordingen vervatte, resolutie aan:

“De Algemeene Vergadering, den wensch koesterende den Uitvoerenden Raad te steunen in zijn streven om zoo spoedig mogelijk een einde te maken aan het verschrikkelijke drama, dat zich in Armenië afspeelt, noodigt dien Raad uit met de Regeeringen in overleg te treden en te doen beslissen wie harer zich belasten zal met het nemen der maatregelen, noodig tot het doen beëindigen der vijandelijkheden tusschen Armenië en de “Kemalisten”.

De Raad besloot, na overweging, van dit beluit mededeeling te doen aan alle Staten, die deel uitmaken van den Volkenbond, alsmede aan de Regeering der Vereenigde Staten, welker President bereids den taak op zich genomen heeft de grenzen van Armenië vast stellen.

De Raad verzoekt der Braziliaansche Regeering hem mede te willen deelen of zij bereid is om zich, alleen of in samenwerking met anderen, in naam van den Volkenbond te belasten met deze taak, welke een zoo bij uitstek menschlievend karakter draagt, doch welker aanvaarding, althans voorloopig, nog geene permanente verplichtingen met zich brengt.

In het geval, dat de Braziliaansche Regeering op deze vraag een bevestigend antwoord kan geven, verzoekt de Uitvoerende Raad zoo spoedig mogelijk met die beslissing in kennis gesteld te mogen worden, ten einde deze vóór de sluiting der tegenwoordige zitting aan de Algemeene Vergadering te kunnen mededeelen.”

II. van den Heer Azevedo Marques aan den Heer Hijmans:

“In antwoord op het telegram, waarin Uwe Excellentie mij het besluit mededeelt der Algemeene Vergadering, betrekking hebbende op Armenië, heb ik de eer Uwer Excellentie de verzekering te geven, dat de Braziliaansche Regeering bereid is, alleen of tezamen met andere Rijken, mede te werken tot het doen ophouden van den noodtoestand in Armenië.”

III. van bedoelden voorzitter aan genoemden bewindsman:

“Uit naam van den Uitvoerenden Raad van den Volkenbond dank ik U voor Uw telegram in zake de Armenische kwestie.

Zeer voldaan over Uw antwoord spreekt de Raad zijn dank uit aan de Braziliaansche Regeering. Van den Spaansche Regeering is bij den Raad een gelijkluidend antwoord ingekomen.

President Wilson bericht den Raad dat hij zijne diensten en persoonlijke bemiddeling aanbiedt om de vijandelijkheden tegen Armenië te doen ophouden.

Naar aanleiding van dat aanbod, bedankt de Raad, in zijn antwoord, den President voor de aanneming der hem opgedragen taak en stelt hem tegelijkertijd in kennis met de antwoorden der Braziliaansche en Spaansche Regeeringen.

De Raad verzocht der Braziliaansche Regeering zich rechtstreeks met President Wilson in verbinding te stellen, ten einde met dezen een plan tot samenwerking te ontwerpen.”

De Braziliaansche pers interesseert zich klaarblijkelijk in het geheel niet voor deze en dergelijke aangelegenheden; althans nergens treft men ter zake eenig commentaar aan.

De chef der afdeeling van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken alhier die deze zaak behandelt, verklaarde mij er geen flauw begrip van te hebben wat het Armenische mandaat eigenlijk beteekende, noch kon deze hoofdambtenaar zich eenig oordeel vormen omtrent de verplichtingen die Brazilië ten deze op zich zal moeten nemen. Duidelijk deed mijn zegsman uitkomen dat de aanvaarding van het mandaat door Brazilië – volgens zijne opvatting – eene ondoordachte daad was, die der regeering vermoedelijk niets dan last en moeilijkheden zal veroorzaken.

De Gezant,

Von Zeppelin Obermüller

[handgeschreven aantekening]
Kennisgeving

Bron: Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Buitenlandse Zaken: A-dossiers, 1815-1940, nummer toegang 2.05.03, inventarisnummer 1443.

Colofon