Het Vaderland, 6 december 1935
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Ingezonden - Armeensche christenen in nieuwen nood

Op Zondag 8 December as. wordt over de geheele wereld door de Vrienden der Armeniërs de Dag van den gulden Regel gehouden, een dag van gebed en offer voor Armenië. De bedoeling van dien dag is iets op te geven en het bedrag, dat daardoor wordt bespaard, voor de lijdende Armeensche Christenen te bestemmen, indachtig aan het woord van Jezus: "Alle dingen dan, die gij wilt dat de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo". (Matth. 7, 12). Waarom deze dag thans meer dan ooit onze aandacht verdient? Daarover schrijft een onzer zendelingen:

Aleppo, 1 November 1935

Wij staan hier voor een zeer moeilijken winter. Veel moeilijker dan de drie winters, die ik reeds te Aleppo doorbracht. Waarom dit zoo is?

1. Omdat de menschen niet hunne huizen kunnen bouwen en daarbij nog het dagelijksch brood kunnen verdienen.

2. Omdat de meeste families het beste, wat zij bezaten, moesten verkoopen, om in staat te zijn het nieuwe huis te bouwen. Daar de vluchtelingen, zooals vanzelf spreekt reeds geen overvloed hebben, kan men zich voorstellen, welke moeilijkheden thans zijn ontstaan. De huizen zijn leeg geworden.

3. De menschen zijn door de vele ontberingen en de voortdurende vermoeienissen zwak en uitgeteerd. Te groot was het uiterlijk leed, te drukkend de last, die de ziel bezwaarde. Onder deze omstandigheden zijn zij vatbaar geworden voor ziekten en t.b.c. loert in iederen hoek, om hen te bespringen.

Toen ik van een tocht naar de nieuwe huizen terugkwam, was ik innerlijk vermoeid en aangegrepen. Kunnen onze vrienden het zich indenken, wat men bij zulk een gang doormaakt?

Wat men zag en hoorde, prent zich diep in de ziel en wij kunnen de tafereelen, die men aanschouwde, niet meer kwijtraken. Het behoort tot het grootste zielelijden, machteloos te staan tegenover zulk een nood. Hoe zwak en arm men in zichzelf is merkt men nooit zoo duidelijk, dan wanneer men zich onder de armsten der armen bevindt. Wij, die al deze treurige gebeurtenissen hier meebeleven, voelen het steeds duidelijker, dat wij uit eigen kracht niets kunnen doen. Onze nietigheid en onbekwaamheid staan ons duidelijk voor oogen. Alle lasten mogen wij echter neerleggen voor den troon van God. Wanneer dit niet het geval zou zijn, dan zouden wij zelf reeds te gronde zijn gegaan.

Dat deed ik dan ook bij mijn terugkeer van dezen tocht en hoe inniger ik al dezen nood aan God vertelde, hoe lichter werd het mij om het hart, zóó licht, dat wij weer bekwaam werden gemaakt, om nieuwe ellende te kunnen en te mogen meeleven. In Gods tegenwoordigheid werd het mij duidelijk alles, wat ik op dezen tocht had beleefd, aan onze vrienden te moeten mededeelen. Welk een troost is het toch, dat Gij, lieve Vrienden, met ons lijdt en dat gij achter ons staat. Daardoor ontvangen wij kracht en moed om verder te gaan, ook wanneer de moeilijkheden zich als de bergen voor ons opstapelen.

Hier heerscht bittere, bittere armoede. Ik zou willen, dat u die uitgeteerde, jammerlijke gestalten zoudt kunnen zien, die tot ons komen, in de hoop bij ons hulp te vinden. Hoevelen moeten wij echter zonder hulp wegzenden, omdat wij niet over voldoende middelen beschikken, om al dezen nood te lenigen. De armen echter, die wij een bewijs in de hand geven, dat recht geeft op een paar pond meel, weten niet, hoe hun dank uit te spreken. Overgelukkig gaan ze naar huis, om den honger hunner kinderen te stillen.

Ondanks het feit dat wij heel wat hebben kunnen helpen en en ook van andere zijde hulp werd verleend zijn er alleen in de nieuwe wijk nog wel een 150-tal huizen, die niet konden worden afgebouwd en niet eens een dak hebben. De families, die daarin leven, zijn zóó arm, dat zij onmogelijk het geld voor het dak kunnen opbrengen. Wat zou het toch heerlijk zijn, wanneer wij zoo zouden kunnen helpen, dat al deze menschen een dak kregen, zoodat, wanneer de strenge winter begint, zij niet onder den blooten hemel moeten vertoeven. Wanneer wij per familie f 10,– rekenen voor het dak, dan beteekent dit reeds een groote hulp. Huisvaders en moeders staan handenwringend voor onze deur. Reeds 's morgens heel in de vroegte wordt er op onze deur geklopt, hun beden om hulp zijn zóó aangrijpend, dat men het bijna niet waagt te zeggen, dat wij thans niet kunnen helpen, omdat onze middelen reeds zijn opgebruikt.

De eenige troost, dien wij hun dan kunnen geven, is, dat God misschien door onze vrienden onze leege handen wil vullen en dan, ja dan, zullen wij ook aan hen denken... Hoe dikwijls gebeurde het niet, dat dezelfde menschen 's avonds laat weer voor onze deur stonden, omdat er misschien in dien tusschentijd hulp uit Nederland zou kunnen gekomen. Wij konden hen echter toch niet helpen.

En nu is mijn innige bede aan allen, die dit lezen:

Denkt aan onze armen, die onder moeite en nood zich een nieuw tehuis moeten veroveren, die thans nog in onafgebouwde huizen wonen, die honger en kou lijden, wanneer naastenliefde zich niet over hen ontfermt.

Het gironummer van de secretaresse van het Hoofdbestuur der "Morgenland-Zending", mej. Cato de Witte te Utrecht is 18757.

Colofon