Het Vaderland, 3 oktober 1936
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De nieuwe toestand in het Oosten en het werk der Zending

Het lot der Armeniërs

Dr. P. Birron uit Straatsburg, directeur van de "Action chrétienne en Oriënt", heeft gisteren voor de Morgenland-Zending (de Nederlandsche afdeeling van die missie-organisatie) in de groote zaal der school van de dames Haaxman en Meyboom ln Zorgvliet een en ander verteld van zijn ervaringen in de nieuwe of geheel vernieuwde landen van het Naburige Oosten. Wij staan daar, aldus de spreker, tegenover een volkomen nieuwe wereld in wording, die uit de puinhoopen van het oude Turksche rijk oprijst. Het nationalisme heeft gezegevierd en voorloopig schijnt het streven naar politieke onafhankelijkheid en politieke macht sterker te zijn dan het geestelijke heimwee naar godsdienstig leven. Allereerst in het nieuwe Turkije; daar heeft men alles veranderd en alles vernieuwd. Tot de kleeding toe, en de taal. Alle vreemde woorden moesten uit het Turksch verdwijnen; zelfs het woord Allah is geweerd en terwijl het vroeger een plicht was en een eer de Koran in het Arabisch te lezen, daar wordt thans nog alleen het Turksch gebruikt in de Arabische gemeente en dan wel het nieuwe, het gezuiverde Turksch, dat menig beschaafde Turk van zekeren leeftijd niet eens altijd makkelijk begrijpt. Deze plotselinge en min of meer gewelddadige moderniseering ontmoet echter hier en daar tegenstanders. Wellicht meer dan naar buiten blijkt. Spreker vertelde eenige symptomatische anecdoten in dit verband. Men kan zich trouwens wel eenigszins voorstellen wat het voor een volk beteekenen moet wanneer men zoo in een paar jaren tijds bv. ineens van de gesluierde vrouw naar de moderne feministe overstapt.

Overigens wil dr. Birron gaarne erkennen, dat er van de tegenwoordige regeering te Ankara een sterk opvoedende invloed uitgaat op het volk: overal werden nieuwe energieën gewekt. Na de uitwijzing van tallooze Christenen uit den staat, waren de Turken trouwens wel gedwongen allerlei werk op zich te nemen, dat ze vroeger steeds door anderen hadden laten doen.

Het valt echter niet te ontkennen volgens den spreker, dat er een felle vreemdelingenhaat heerscht onder de Turken van dezen tijd. Niet alleen tegen de Arabieren maar ook tegen de volken van Europa is die gericht. Ook de zending heeft daaronder te lijden. In beginsel is de staat volkomen godsdienstloos of, zoo men wil, neutraal. De Mohamedaansche religie ondervindt ook de gevolgen van dit beginsel, dat o.m. ook bij de organisatie van het onderwijs een groote rol speelt. Tegenover de Christelijke missie echter laat zich daarenboven nog de nationalistische afkeer van het vreemde gelden. In een kleine Turksche stad waren onlangs onder invloed van de Frankforter missie een twaalftal jonge mannen en meisjes Christen geworden. De overheid meende zich met de zaak te moeten bemoeien. Toen de jonge bekeerlingen zich echter op de grondwettelijke vrijheid van religie beriepen werden zij met rust gelaten, maar de missionarissen werden uitgewezen uit angst dat er nog meer bekeerlingen zouden komen!

Ook in Syrië is het nationale eenheidsgevoel tegenwoordig sterker dan de aanhankelijkheid aan de kerk. De Fransche overheid is voor het volkomen onverwachte feit komen te slaan, dat Roomsch-Katholieke waardigheidsbekleeders zich niet alleen solidair verklaarden met de Arabische leiders van het Syrische nationalisme maar zelfs samenwerking met hen zochten. In dit verband besprak dr. Birron het recente besluit tot opheffing van de mandaatsmacht over Syrië. Hij erkent het recht der Syrische natie op een zelfstandig bestaan, maar daartegenover staat, dat een onmiddellijk terugtrekken van de Fransche macht zeer ernstige gevolgen zou kunnen hebben voor de religieuse minderheden. Daarbij moet men overigens onderscheiden tusschen de oud-ingezeten Christenen en de Armenische en Assyrische vluchtelingen. Wat de Christen Syriërs betreft zal het vermoedelijk wel tot een rustig naast elkaar leven komen al zijn er ook wel eenige onverdraagzame Arabieren, die het Mohamedaansche geloof het eenig mogelijke geloof achten in een Syrische staat.

Vrijwel geen enkel Syriër echter draagt de Armeensche vluchtelingen een goed hart toe en de Assyriërs willen allen zoo spoedig mogelijk zien vertrekken of zien verjagen. Eenige maanden geleden hebben de gevluchte Armeniërs de barakken moeten afbreken, waarin duizenden van hen leefden. Tailooze zijn nu dakloos. De missie tracht zooveel mogelijk te helpen, maar de nood is nog steeds veel grooter dan de steun, die verleend kan worden. Het feit, dat deze zoo gruwelijk vervolgde natie meer nationaal schijnt te voelen naarmate het zwaarder te verduren krijgt, maakt het vinden van een compromis met de Syriërs nog moeilijker. Ook op dat gebied hoopt de missie, door het doen triomfeeren van den christelijken geest, die zich hier en daar onder de Armeniërs toch al bijzonder krachtig manifesteert, in den zin eener bevrediging mogen werken.

Ten slotte handelde spreker nog over den missie-arbeid in Fransch Mesopotamië. Daar wordt over enkele dagen een missiepost geïnstalleerd onder leiding van een Nederlandsch zendeling, de heer Briet uit Sloterdijk, die samen met zijn vrouw al eenigen tijd werkzaam zijn in Aleppo.

Dat Fransch Mesopotamië is een in alle opzichten merkwaardig gebied. Het is een land, dat als het ware gekoloniseerd wordt door voor de verdrukking gevluchte Christenen uit andere streken. Ook vele ontevreden Koerden zijn er uit Turkije heengegaan. Langs den Bagdadspoorweg zijn daar tal van nieuwe dorpen ontstaan en zelfs kleine steden, die zooals Kamiesjlie meer dan 20.000 zielen tellen. Daar vindt de zendeling nog een onbewerkt terrein. Onbewerkt gebied en toch in zekeren zin ook heiligen bodem; daar was het immers, dat duizenden Armeniërs heengevoerd werden om er afgeslacht te worden. Het waren meestal slachtoffers van hun trouw aan de nationalileit maar velen onder hen zijn toch ook als Christen helden, sommigen als ware martelaars gestorven. Spreker vertelde een paar diep ontroerende episoden.

Ook over de verhouding van de Christelijke kerken onder elkaar werd veel belangrijks meegedeeld. Wij moeten dit verslag echter sluiten. Het was den spreker toch ook niet te doen om "belangrijks" in den gewonen zin des woords te vertellen, maar om te getuigen en medewerking te vragen voor een groot werk van barmhartigheid en tevens van geestelijken strijd in den hoogsten zin van het woord.

De bijeenkomst sloot met gebed.

Colofon