Het Vaderland, 23 november 1928
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Met Fridtjof Nansen onder de Armeniërs

Fridtjof Nansen, Door Armenië
Uit het Noorsch door J. Hengel
W.J. Thieme en Cie, Zutphen 1928

In 1925 is Fridtjof Nansen als leider eener Volkenbondscommissie naar de Armeensche sovjetrepubliek Erivan gereisd. De geallieerden, die in oorlogstijd allerlei moois aan de arme Armeniërs beloofd en ze daardoor tot een opstand verlokt hadden, die de wreedste gevolgen moest hebben en inderdaad ook heeft gehad, meenden zich ook na den oorlog niet veel van hun slachtoffers te moeten aantrekken. Niettegenstaande de zaak der Geallieerden getriomfeerd had, waren de Armeensche bondgenooten er slechter dan ooit aan toe. Duizenden vluchtelingen leefden op den Balkan in een soort van nieuwe concentratiekampen. Zou de Volkenbond zich de zaak dier ongelukkigen aantrekken? Nansen trad te Genève op als verdediger van hun belangen; MacDonald, die in dien tijd Engeland vertegenwoordigde, steunde zijn voorstellen. Er zou onderzocht worden, wat er voor de vluchtelingen gedaan kon worden, op welke wijze men voor hen een nieuw vaderland zou maken.

De leiders der Armeensche organisaties kwamen toen zelf met een plan voor den dag. In de Armeensche sovjetrepubliek Erivan liggen nog groote uitgestrektheden woeste grond; door middel van draineerwerken zou die grond vruchtbaar kunnen gemaakt worden en werk en voedsel kunnen verschaffen aan duizenden die thans een ellendig ballingenbestaan leven. Met wilde nu nagaan of dit plan inderdaad uitvoerbaar was; daartoe werd een technische commissie samengesteld, die onder de leiding van Nansen naar Erivan reisde.

Nansen, die als hooge commissaris voor de vluchtelingenquaesties reeds heel wat ervaring had opgedaan, was trouwens zelf ook een deskundige en het plan, dat hij en zijn medewerkers na hun onderzoek bij het Volkenbondssecretariaat indienden, zal wel practisch en zonder veel moeilijkheden te verwezenlijken geweest zijn. Eenig geld was er echter wel voor noodig en nu bleek al spoedig, dat geen van de destijds zoo enthousiaste vrienden der Armeniërs er nog wat voor over had! Baldwin, die in September 1924 in een brief aan MacDonald plechtig erkend had, dat de Armeniërs een moreel recht hadden op steun, scheen zich, nu hij zelf eerste minister geworden was, van dit moreele recht niet veel meer aan te trekken. Geen der Geallieerde volkeren voelde wat voor den kleinen moedigen bondegenoot, die meer dan alle andere voor de gemeenschappelijke zaak geleden had: meer dan een derde deel van het heele Armeensche volk is uitgemoord en wat voor gruwelijke ellende hebben de niet vermoorden niet moeten doorstaan. Toch meende men te Londen, te Parijs, te Washington, waar men vroeger nochtans zoo veel beloofd had, niets te moeten doen. En de Volkenbond? Ook de Volkenbond deed niets of kon niets doen. Geen wonder dan ook, dat het slot van Nansens boek zeer bitter is:

"En heeft de Volkenbond dan ook niet dat gevoel van verantwoordelijkheid? Door zijn hoogen commissaris voor vluchtelingen ondanks zijn herhaalde weigering, uit te noodigen om zich de zaak van deze Armenische vluchtelingen aan te trekken, heeft de Bond anderen ervan teruggehouden om effectieve hulp voor de Armeniërs te organiseeren, doordat zij allicht uitgingen van de overweging, dat de Volkenbond onmogelijk een dergelijke zaak zou aanpakken zonder dat dit het heele aanzien van den Bond in het Oosten zou schokken?"

"De volkeren van Europa en de staatslieden van Europa zijn het eeuwige Armenische vraagstuk moe. Ja, natuurlijk. Het heeft hun immers niets anders gebracht dan nederlagen. Alleen de naam reeds roept voor hun sluimerend geweten een verschrikkelijke menigte verbroken of niet-vervulde beloften op, van welke ze er nooit werkelijk één hebben gepoogd te houden. Het ging immers alleen maar om dit kleine, bloedende, doch begaafde volk, dat geen olievelden of goudmijnen had."

"Wee het Armenische volk, dat het in de Europeesche politiek betrokken werd! Het ware beter geweest, dat zijn naam nooit genoemd was door een Europeesche diplomaat. Maar het Armenische volk heeft de hoop niet kunnen opgeven. Terwijl het voortdurend met ijver werkte, heeft het gehoopt, lang gehoopt. En het hoopt nog."

Het boek van Nansen is echter niet alleen een pleidooi voor de arme Armeniërs, het is ook een zeer belangwekkende reisbeschrijving. Nansens wetenschappelijke roem is sinds lang gevestigd; hij is een zeer scherpe opmerker en een nauwgezet schrijver. Even rustig als Sven Hedin geeft hij ons de dingen zooals hij ze in werkelijkheid ziet, niet zooals sommige reizigers, die ze in hun lust om veel belangrijks te vertellen, min of meer vervormen. Er is bij den Scandinaafische reizigers een groote nuchterheid van den geest, die echter niet verhindert dat het gemoed van een heerlijke warmte is. Men zou misschien kunnen spreken van een in het nuchtere verstand afgekoelde poëzie. Deze laatste wordt er echter niet minder op door aldus in 't ijs der objectiviteit te staan. Integendeel: Nansens reisbeschrijvingen vormen een heel wat boeiender lectuur dan de boeken van hen, die steeds met uitroepingsteekens meenen te moeten verhalen hoe ontzaglijk mooi of belangrijk het is geweest.

Dit jongste boek van den Noorschen reiziger en geograaf is ook belangrijk, doodat het ons vertelt van een gedeelte van het nog steeds zoo geheimzinnige sovjet-land. Ook hier vertelt Nansen ons alleen wat hij met zijn eigen oogen heeft gezien. Zeer karakteristiek voor zijn manier van werken is de volgende opmerking, gemaakt in verband met een wolkbreuk, die de straten van Erivan onder water zet:

"Het is wonderlijk hoe gaarne men alles overdrijft, zelfs in een kleine stad als Erivan, waar men toch spoedig op de hoogte is. Den volgenden morgen kwam onze journalist, die notabene door de regeering is aangesteld, en vertelde ons met den grootsten ernst in zijn Fransch de verschrikkelijkste geschiedenissen van de overstrooming. De schade, die was aangericht, liep in de millioenen en beneden, bij het spoorwegstation, waren zes en twintig lijken aangespoeld, meest van kinderen. Later hoorden wij, dat er slechts één kind verdronken zou zijn in een kelder. Maar ook dit bleek niet waar en ten slotte – nu ja, was de schade niet zoo gering, maar toch te overkomen."

Zulke overdrijvingen vindt men bij Nansen zelf nooit en daarin lijkt het ons van groot belang, dat men in dit boek den indruk krijgt dat men daar in de Transkaukasische sovjet-republieken is teruggekeerd tot een vrij geregeld en rustig leven en een zekere blijmoedigheid bij den arbeid; met de petroleumproductie gaat het weer goed; er worden woeste gronden ontgonnen (aardig is het verhaal van de plechtigheden van het openen der sluizen van een nieuw draineerkanaal, een werk waarvoor de Engelsche ingenieur, die hem vergezelt, de grootste bewondering voelt.) De woningtoestanden zijn over 't algemeen nog zeer slecht; in Erivan heeft geen mensch recht op meer dan twee vierkanten meter vloeroppervlakte, zooveel als iemand toegedeeld wordt op het kerkhof, zooals een lid van den gemeente-sovjet opmerkte. De kleeding is alles behalve rijk, maar ziet er over 't algemeen toch wel behoorlijk uit; honger schijnt er niet meer geleden te worden.

Dat de beschrijving van het land en de historische overzichten betreffende Georgië en Erivan uitstekend zijn, behoeft wel niet gezegd te worden. Het geheel vormt een zeer onderhoudend, en zeer belangwekkend boek. Ook zal in dezen tijd van wel eens wat holle internationalistische phrasen, dit pleidooi voor de Armeniërs menigeen doen nadenken over de werkelijkheid, die achter de mooie phrasen verscholen zit.

Dit werk van Nansen is dan ook behalve mooi een moedig boek.

Colofon