Het Vaderland, 21 november 1930
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Het verdrukte Armeensche volk

Lezing van mej. C. de Witte

Namens het Nederlandsch comité der Action Chrétienne en Oriënt heeft gisteravond in het schoolgebouw aan de Rutger Jan Schimmelpennincklaan mej. Cato de Witte, die voor zendingsdoeleinden met het Armeensche volk in aanraking is gekomen, een lezing met lichtbeelden gehouden over den nood in het Nabije Oosten, indrukken uit Syrië en Mesopotamië.

Namens de afdeeling den Haag sprak de voorzitster, mej. R. Gerretsen, een kort welkomstwoord, waarna mej. de Witte haar rede aanving.

De Action Chrétienne en Oriënt, begon spr., heeft een groote evangelische zaak te vervullen en wel vooral in Armenië. De geschiedenis van Armenië is een lange lijdensgeschiedenis, die in dezen tijd nog niet haar keer heeft genomen. Wanneer men onder het Armeensche volk van barak tot barak gaat, krijgt men eerst een goeden indruk van het lijden van dit volk en in dit volk verkeerend, komt men tot de conclusie dat er in breeden lagen een streng godsdienstig leven aanwezig is. Dit godsdienstig leven geeft den menschen kracht het lijden te doorstaan.

Vervolgens verhaalde spr. van de geschiedenis van het Armeensche volk, dat te midden van het Mohammedaansche volk de evangelische lamp brandende tracht te houden. In 1914 ademde het Armeensche volk even op, daar het eenige vrijheidsrechten had verkregen, doch in Augustus, toen het in den wereldoorlog betrokken werd, verdonkerde de hemel weer. In 1915 vond de haat der Turken, die van een groot Mohammedaansch Turkije droomden, uiting in een verjaging van duizenden Armeniers, die in de woestijnen hun heil en... hun dood vonden.

In 1918 klaarde de hemel wat op. Toen de Geallieerden Turkije binnendrongen, trokken groote drommen Armeniërs weer naar hun vaderland terug. De uitroeiingspolitiek van Turkije duurt in dezen tijd nog steeds onverminderd voort, ondanks het feit, dat men er zich op beroemt, dat er een wet bestaat als in Zwitserland. De tijden van Abd-El-Hamid mochten wat anders zijn, doch de politiek is nog steeds dezelfde.

Een serie lichtbeelden vertoonde ons vervolgens de beklagenswaardige woonplaatsen der Armeniërs in Aleppo, die uit barakken en holen bestaan.

Het grootste barakkenkamp te Aleppo telt 15- a 18.000 menschen, die de geringste levensgemakken moeten ontberen. Mannen wonen er niet veel in de barakken; de bevolking bestaat grootendeels uit vrouwen en kinderen. De zending verricht tusschen deze verschoppelingen uiterst mooi werk, vooral op onderwijsgebied. Er werd een school gesticht en voor de begaafden werd zelfs de gelegenheid geschapen hooger onderwijs te genieten. Er is een schaar van jonge menschen, zegt spr., die de handen naar het Westen uitstrekt en uitroept: "Maakt ons tot menschen!"

De sociale nood van het volk wordt wel goed geschetst door het volgend voorbeeld: Spr. ontmoette in een der barakken een 7-jarig meisje, dat reeds drie jaar tapijten knoopte en op dien jeugdigen leeftijd tegen de beste tapijtenknoopster opwerkte...

Het grootste barakkenkamp in Aleppo zal waarschijnlijk in begin Februari worden afgebroken, doch waarheen dan met die menschen? Een 200-tal huizen zullen gebouwd moeten worden en het is begrijpelijk, dat de zendingsvereeniging voor dit doel veel geld noodig zal hebben.

Aan Mesopotamië heeft spr. tevens een bezoek gebracht. In twee dorpen, op korten afstand van de Turksche grens gelegen, woont een kolonie Armeniërs. In deze streek, zegt spr., bestaat in de toekomst gelegenheid voor een rustig bestaan voor het verdrongen volk.

De Armeniërs zijn geen volk dat om aalmoezen smeekt, zij vragen slechts de gelegenheid aan het werk te mogen gaan, hetgeen hen in staat zal stellen een menschwaardig bestaan te leiden.

Spr. besloot haar bevattelijke causerie met een opwekking tot volharding in de steunverleening.

Mej. Gerritsen dankte spr. namens de kleine schaar van aanwezigen en steunde het verzoek tot steun van mej. De Witte. Voorts deelde spr. mede, dat Vrijdagavond en Zaterdag in het schoolgebouw ten bate van het Armeensche volk een tentoonstelling en verkoop van Armeensch kunstnaaldwerk en weefwerken zou worden gehouden.

Colofon