Utrechts Nieuwsblad, 9 september 1895
Bron: het Utrechts Archief

Armenië

Mostigo, een der meest beruchte Kurdische opperhoofden en roovers van Klein-Azië, bevindt zich thans in de gevangenis. Door middel van omkooping slaagde onlangs een correspondent van den "Daily Telegraph" er in, toegang tot hem te krijgen en een gesprek met hem te hebben, waarvan wij hier een deel laten volgen:

"Bieden de Armeniërs u wel eens tegenstand, als gij hun vee rooft – en hun vrouwen?"

"Niet dikwijls. Dat kunnen zij niet. Zij hebben geen wapens en weten wel, dat, zelfs al konden zij eenigen onzer dooden, het hun geen goed zou doen, want er zouden wel andere Kurden komen om wraak te nemen, maar als wij er een paar doodslaan, is er toch niemand die groote oogen van kwaadheid opzet. De turken haten hen, wij niet. Wij begeren alleen geld en buit, en sommige Kurden begeeren ook hun akkers en weiden, maar de Turken willen hun bloed. Eenige maanden geleden deed ik een aanval op het Armenische dorp Kara Kipriu, en ik dreef er alle schapen uit. Ik liet er geen enkel achter. De dorpelingen volgden ons in wanhoop, en losten eenige schoten op ons, maar het was de moeite niet waard om van te spreken. Wij dreven de schapen voort naar Erzurum, om daar te verkoopen. Maar onderweg hadden wij nog een gevecht te leveren bij het Armenische dorp Sheme. De boeren wisten, dat wij die schapen van hun volk hadden geroofd, en vielen ons aan. Wij waren met ons vijven Kurden, en zij waren talrijk; het geheele dorp kwam tegen ons op. Twee van mijn mannen – 't waren maar rayahs (ongeloovigen) – sneuvelden. Wij doodden 15 Armeniërs en verloren 15 schapen, die teruggenomen werden. Wij behielden de overige en verkochten die te Erzurum."

"Hebt gij, Kurden! vele Armeniërs gedood?"

"Ja, wel velen, maar het was onze wil niet. Wij hebben alleen buit noodig en geen menschenlevens, daar hebben we niets aan. Maar soms moeten wij den menschen wel kogels door het lijf jagen om hen stil te krijgen, dus als zij zich gingen verzetten. Wij zitten altijd te paard, rijden over heuvels en dalen, en vallen ieder aan, dien wij ontmoeten. In den herfst zorgen wij zooveel keren bij elkaar te brengen, als wij voor den winter noodig hebben, met nog geld bovendien. Wij bezitten ook vee maar daar zorgen wij niet voor. Dat geven wij aan de Armeniërs om te voeden en op te passen."

"Maar als zij dat weigeren?"

"Wel, dan verbranden wij hun hooi, hun koren, hun huizen en drijven hun schapen weg. Dus zij weigeren niet. In de lente halen wij ons vee terug, en de Armeniërs moeten een even groot getal weer inleveren als zij van ons kregen."

"Maar als er nu eens een ziekte onder het vee heerscht?"

"Dat is hun zaak. Zij moeten teruggeven, wat wij hun gaven of een gelijk aantal, en dat weten zij ook wel. Wij kunnen geen verlies lijden en waarom zouden zij niet."

Na het aanhooren van verscheidene belangwekkende verhalen zeide de correspondent: "Verhaal mij nog meer van uw dappere daden." Mostigo antwoordde daarop.

"Eens vraagde men den wolf: "hoe zagen de schapen er uit, die gij verslondt?" en hij antwoordde: "ik at wel duizend schapen, over welke van hen spreekt gij?" Zoo is het met mijn daden. Zij zijn zeer vele. Indien ik sprak en gij schreeft twee dagen lang, zou er nog veel te verhalen overblijven."

Colofon