Utrechts Nieuwsblad, 26 september 1896
Bron: het Utrechts Archief

Buitenland

Het schijnt alsof de toestand in Turkije iets beter wordt.

Uit Konstaninopel wordt, langs officieusen weg, gemeld dat de ondersecretaris van buitenlandsche zaken, Artin Dadin pasja, een Armeniër, die geruimen tijd geen dienst heeft gehad, thans op zijn post teruggekeerd is, na door de regeering te zijn geraadpleegd over de oplossing van het Armenische vraagstuk. Dadin moet bij die gelegenheid sterk erop hebben aangedrongen dat allereerst tot de verkiezing van den nieuwe patriarch werd overgegaan, welke verkiezing geschieden zou door 83 notabelen uit Konstantinopel en de provinciën. Die 83 notabelen schijnen thans zich reeds in de hoofdstad te bevinden; en men verwacht dat het iradé waarbij de verkiezing uitgeschreven wordt, eerlangs zal verschijnen.

De Porte spreekt tegen, dat de Armeniërs en de Christenen in Turkije in het algemeen een overval van de Mohamedanen zouden hebben te duchten.

De Porte spreekt evenzeer tegen, dat de uit het land verbannen Armeniërs in massa zouden zijn vermoord.

De Porte spreekt verder tegen, dat de gevangen Armeniërs stelselmatig worden mishandeld door de politie-agenten.

De Porte spreekt ook tegen, dat deze tegenspraken geen geloof zouden verdienen.

Colofon