Utrechts Nieuwsblad, 20 november 1894
Bron: het Utrechts Archief

Klein-Azië

Het bericht der in Klein-Azië door Bashi-Bozouks of ongeregelde Turksche troepen tegenover de weerloze bevolking gepleegde gruwelen wordt helaas! bevestigd. Bij de Britsche Regeering is een schrijven ontvangen van de "Armenische Vereeniging", waarin gezegd wordt, dat in Klein-Azië de Bulgaarsche gruwelen eene herhaling hebben gevonden. Tussen de 6 en 10.000 menschen hebben den dood gevonden, aan honderden vrouwen en meisjes is, voor ze dien wreeden dood ondergingen, geweld aangedaan, en niet minder dan 30 dorpen zijn geheel vernield. Verscheidene personen werden met petroleum begoten, in en met hunne eigen huizen verbrand. Zelfs van Turksche zijde wordt de juistheid dezer feiten erkend.

Hoofdtooneel dezer gruwelen was, volgens een brief uit Varna aan de Londensche Standard, het plaatsje Moneh en aanleiding de weigering der bevolking om belasting te betalen. Toen echter troepen kwamen liet de bevolking hare houding van verzet varen en gaf zelfs hare wapenen over. Niettemin vond de Gouverneur noodig een voorbeeld te stellen en liet de troepen eenige salvo's afvuren op de weerloze bevolking. Het geschiedde maar al te gereedelijk, en toen de woeste Bashi-Bozouks eenmaal bloed gezien hadden, was er geen houden meer aan hunne woede. Dus werden er duizenden menschen, de bevolking van ongeveer 25 dorpen, wreedaardiglijk ter dood gebracht.

De Britsche consul heeft ter plaatse een rapport opgemaakt, dat hij aan den Sultan zal opzenden, die natuurlijk wel zeer eenzijdiglijk door zijn Gouverneur zal worden ingelicht. Die Gouverneur beschuldigt nota bene den Britschen consul, dat hij de bevolking heeft opgezet en derhalve aansprakelijk is voor het gebeurde.

De officiëele lezing, door de Turksche ambassade te Londen van het gebeurde gegeven, wijt het gebeurde aan armenische roovers en een in opstand gekomen Kurden-stam. Het waren Mohammedaansche dorpen, die verwoest werden, en geregelde Turksche troepen, die de orde herstelden. Wie geplunderd hebben, waren uitsluitend Armeniërs.

Nu, de zaak zal wel nauwkeurig onderzocht worden. In ieder geval is de "unspeakable Turk", gelijk Gladstone hem genoemd heeft, (toen hij in zijne bekende brochure "Bulgarian atrocities" een strenge voogdij der Mogendheden tegenover de laksche orde in het Ottomanische Rijk bepleitte,) weer duchtig aan de gang geweest. De Turksche regeering blijft natuurlijk het antwoord niet schuldig naar aanleiding van deze berichten.

De Porte ontkent niet, dat "eenige dorpen in Armenië zijn verbrand", maar zij geeft de schuld aan de Kurden, den nog steeds weerspannigen stam, die deze ongeregeldheden pleegde. Onmiddelijk werden troepen uitgezonden om de roovers te verdrijven. "De Turksche soldaten" – aldus luidt de verklaring der regeering – "maakten zich niet schuldig aan baldadigheden, maar deden hun best om de inwoners te beschermen".

In het algemeen beweert de Porte, dat de gepleegde wreedheden niet zoo erg zijn als wordt beweerd. Wat daarvan aan is zal waarschijnlijk spoedig blijken, nu op last van den Engelschen gezant te Constantinopel een onderzoek is ingesteld, naar hetgeen werkelijk in Armenië is voorgevallen.

De Indépendence schrijft hieromtrent het volgende: de moeilijkheden die het Ottomaansch bestuur er ondervindt zijn tweeërlei. De Kurden die Armenië omzoomen, behooren tot het roerigste en minst gedisciplineerde deel van heel de bevolking van het keizerrijk. Hen tot de orde roepen zou de verheven Porte te groote offers kosten, daarom laat zij hun een halve autonomie, waarvan zij ruimschoots gebruik maken om zich aan alle soorten van rooverij over te geven. De aangewezen slachtoffers hierbij zijn voor deze uitstekende mohammedanen de christelijke Armeniërs, die te vergeefs om hulp en bescherming den Sultan aanroepen.

Wat den armeniërs verder nog wat hoop geeft, het zijn de internationale conventies, waarop zij zich beroepen kunnen bij de verbeteringen die zij verzoeken. Zij worden hierin gesteund door de Engelschen, die zich in het verdrag van Berlijn min of meer aansprakelijk hebben gesteld voor de reorganisatie der christelijke provinciën in Klein-Azië. Zonder te twijfelen aan de eerlijkheid der Engelschen staatslieden, is het duidelijk dat deze toekenning van een min of meer omschreven moreel protectoraat in handen van den Engelschen een wapen tegen de Porte kan zijn. En onwillekeurig brengt men wat er nu over de gebeurtenissen in Armenië gezegd wordt de aandacht in verband, door de Engelschen pers geschonken zoowel aan de faciliteiten, in de Dardenellen aan de Russische schepen toegekend, als aan de vleiende ontvangst van admiraal Avelane. Turkije heeft dus te bedenken dat het niet buiten het boekje der neutraliteit mag gaan.

Als met al die hoogere politiek de arme Armeniërs nu maar geholpen waren!

Colofon