Utrechts Nieuwsblad, 12 mei 1909
Bron: het Utrechts Archief

Turkije

De Turksche regeering begint nu krachtige maatregelen te nemen tegen de Christenmoorden in Klein-Azië, daar zij zeer beducht is voor de interventie der mogendheden. Zulk een stap van de zijde van de Europeesche mogendheden zou het prestige der nieuwe regeering buitengewoon kunnen schaden, wijl daardoor het bewijs geleverd zou zijn, dat de regeering niet voor haar taak berekend is en niet eens de orde en de rust in het Ottomaansche rijk kan handhaven. Tegen dergelijke nieuwe moeilijkheden zou de Jong-Turksche regeering zeker niet opgewassen zijn, daar zij met betrekking tot de handhaving van haar gezag al reeds de handen vol heeft. Langzamerhand worden in Azië de afzetting van den Padisjah en de omstandigheden waaronder deze plaats had, bekend, en toont de bevolking zich niet zeer ingenomen met het feit, nog minder doet zij dat met de wijze, waarop het feit plaats had. Niet alleen de Mohammedaansche bevolking van het Turksche rijk voelt zich ontstemd, maar ook de Moslims in Britsch-Indië geven luide hun afkeuring te kennen.

Over zijn afzetting stemden niet alleen de Moslims, maar ook de Grieken, Bulgaren, Serviërs, Armeniërs en Joden en deze beslisten niet alleen over de afzetting van Abdoel Hamid als sultan, maar ook als khalief, heerscher der geloovigen. Dat dit feit voor een Moslim een gruwel is, behoeft geen nadere verklaring. Bovendien ergert men zich er over, dat de commissie, welke den sultan zijn afzetting mededeelde, voornamelijk bestond uit Joden, Armeniërs en Grieken. Dat dit laatste een grove fout van het parlement is, wordt overal toegegeven.

Door deze dingen, waarbij nog komt, dat eigenlijk de niet-Mohamedaansche troepen vochten tegen het garnizoen van Constantinopel, bestaande uit geloovige Anatolische soldaten, is men in Aziatisch Turkije zeer verbitterd en men beschouwt het geval als een aanslag van Joden en Christenen op den khalief en in zijn persoon op het volk van den Profeet. De Christenmoorden in Klein-Azië mogen dan ook grootendeels beschouwd worden als een terugslag op het afzetten van den sultan door de Christenen.

De verontwaardiging der Indische moslims bepaald nu in hoofdzaak de politiek van Engeland tegenover de Jong-Turksche regeering. Engeland moet in Indië de Moslims als het meest loyale deel der bevolking ontzien en kan niets doen wat hen kitteloorig maakt. Bij een mogelijk – en niet zoo geheel onwaarschijnlijke – reactionnaire beweging zal Engeland dus willens of onwillens genoodzaakt zijn, die beweging zoo niet te bevorderen, dan toch niet tegen te werken.

Colofon