De Tribune, 27 juli 1918
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De Turksche moordenaarsbende

De houding van Duitschland was in de allereerste plaats een schandelijk lafheid, zegt Harry Stürmer, de vroegere correspondent van groote Duitsche bladen te Constantinopel. Want wij hadden de Turksche regeering waarlijk militair, financieel en politiek vast genoeg in onze hand, om minstens de inachtneming van de allereerste grondbeginselen der menschelijkheid door te zetten, wanneer wij wilden. Enver en ook Talaat, die voor de vervolging der Armeniërs, als minister van binnenlandsche zaken en als eigenlijk dictator van Turkije verantwoordelijk waren, hadden geen andere keuze meer, dan Duitschland op den eenmaal betreden weg te volgen, en zouden ook een bevel inzake de Armenische kwestie, hoezeer deze hun na aan 't hart lag, zij het dan tandenknarsend, maar zonder verzet hebben moeten gehoorzamen. In honderden gevallen is aangetoond, dat het Duitsche gezantschap daar, waar het Duitsche belangen betrof, hetzij bij het onder dak brengen van Duitschers, hetzij waar het betrof de inmenging in bestuurszaken en in de ministeries, tegenover ten deele zeer rechtvaardige Turksche belangen en gevoelens in, nooit eenige verschooning kende en zich steeds wist te doen gelden.

Nu moet ik het echter mede aanzien, hoe ons gezantschap niet eens in staat was, een beschaafde Duitsche dame, die met een Armeniër was gehuwd, welken men, ofschoon onschuldig "en bloc" met vele anderen gedeporteerd had, en die nu dagelijks in de vestibule van het gezantschapsgebouw weenend zat te antichambreeren, haar recht te verschaffen. Zelfs Turken hebben ons wegens deze bodemlooze lafheid cynisch uitgelachen en er aan herinnerd, hoe zelfs de oude Russ. regeering zeker, niettegenstaande de kapitulaties waren afgeschaft, ter bescherming van een armen Russischen Jood zoo noodig van de zaak een politiek-geval zou hebben gemaakt, indien ze in dezelfde positie als de Duitsche hadden verkeerd. Turken zelf hebben mij met de grootste beleefdheid toch laten merken, dat zij in den grond toch een groote verachting voelden voor deze walgelijke slapheid!

In de tweede plaats was onze houding een gewetenloosheid. Toe te zien, hoe leven en bezit, welvaart en kultuur van honderdduizenden opgeofferd werd, en met zwakke formeele protesten te volstaan, waar men in een positie verkeerde, zoo energiek mogelijk op te kunnen treden, is niets dan misdadige gewetenloosheid. En ik kan er niets aan doen: ik verdenk, niettegenstaande de mooie phrasen van de heeren van het gezantschap, onze diplomaten ervan dat ze zich in den grond van dit lijden van heel een volk, niets aantrokken. Wat brengt mij er toe zulk een sterke beschuldiging uit te spreken ? Het feit, dat ik in het drukke heen en weer rennen van onze diplomaten, wanneer weer eens na bijzonder verschrikkelijke martelingen, de Armenische bevolking aangedaan, de eerwaardige Armenische Patriarch met zijn gevolg op het gezantschap verscheen, om met tranen in de oogen van onze gezanten eindelijk hulp af te smeeken, nooit iets anders heb kunnen zien – en ik was meer dan eens getuige van zulke scènes in het gezantschapsgebouw en heb de gesprekken der ambtenaren dikwijls genoeg gehoord – dan de zorg voor het Duitsche prestige, de gewonde ijdelheid, maar nooit zorg voor het lot van het Armenische volk. Het feit verder, dat ik altijd weer uit den mond van Duitschers van alle schakeeringen tot in de hoogste kringen, voor zooverre zij zich aan de Duitsche lezing te houden hadden, met haat vervulde uitspraken, op geene de minste kennis der feiten gesteunde veroordeeling der Armeniërs moest aanhooren, gedachtelooze napraterijen der officieële Turksche lezing! En de gevallen zijn ook helaas werkelijk bewezen, ja door uitspraken van de uit het diepe binnenland terugkeerende Duitsche doktoren en verpleegden van het Roode Kruis bevestigd, dat Duitsche officieren, ijveriger zelfs dan de Turksche beambten, die nog een rest van menschelijk gevoel hadden – die zich in hun hart bezwaard voelden betreffende het uitvoeren van de instructies van "Nur-et-Osmanich" (standplaats van het Comité!") uit Stamboijl – tijdens de uitroeiing en verdrijving der Armeniërs vroolijk en wel het initiatief genomen hebben! Bekend en volstrekt waar is het schandalig geval, waarbij twee Duitsche officieren op hun doorreis, zonder eenig bevel daartoe, in een plaatsje ver in Klein-Azië – waar de Armeniërs in wanhoop in de huizen gevlucht waren en zich gebarrikadeerd hadden, om zich niet als wilde dieren te laten transporteeren door soldaten eruit zouden worden gedreven, maar geen Turk den moed vond het bevel om op de vrouwen en kinderen te schieten op te volgen – er een sport van maakten, hunne artilleristische kundigheden te toonen! Stellig zijn zulken schanddaden weinig voorgekomen, maar het past bij den geest, die uit de uitspraken over het Armenische volk van dozijnen hooggeplaatste Duitsche sprak – gezwegen nog van de militairen!

En zulk een geval van misdadig optreden door Duitsche militairen tegen de Armeniërs, begaan in het binnenland van Anatolië, dat op het Duitsche gezantschap officieel behandeld is, en door den waarachtig menschelijk en voornaam denkenden gezant Graaf Wolff-Metternich naar Duitschland ter behandeling verder gestuurd werd, heeft bij deze lafheid van onze regeering nog aanleiding gegeven, dat deze man niettegenstaande zijne grijze haren het veld heeft moeten ruimen voor den den zwakken en misdadig optimistischen vrijheer von Wangenheim, die alles door den Turkschen bril bekeek, terwijl de oude gezant nog wel eens een poging waagde om de Turken hard aan te pakken, waarvoor hij dan ook door Berlijn opgeofferd werd.

Colofon