De Tribune, 22 augustus 1916
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De uitmoording der Armeniërs

In de groote pers trof men Zaterdag j.l. dit berichtje aan:

Havas seint ons uit de Basler Nachrichten, dat een aantal leeraren der Duitsche school te Aleppo in Syrië aan het ministerie van buitenlandsche zaken te Berlijn een brief hebben geschreven, waarin de aandacht wordt gevestigd op de ruwheid, waarmee de Turken optreden tegen de vrouwen en kinderen van gedoode Armeensche boeren, die naar Aleppo zijn gebracht. Zij verzoeken de Duitsche regeering haar invloed ten goede bij de Turksche regeering aan te wenden.

Wij hebben hier een sterk staaltje van de manier, waarop de groote pers, die over onbeperkte middelen beschikt, zich laat inlichten omtrent dingen, die niet in haar kraam te pas komen.

Ook al betreft het gruwelen, die zelfs te midden van de brutaliteiten en duivelachtigheden van dezen wereldoorlog uitmunten door hun ongehoorde schandelijkheid.

De socialistische pers heeft den taak ook deze dingen mee te deelen, zooals ze zijn.

En we spreken hierbij de verwachting uit, dat alle groote bladen, die het bovenstaande opnamen, thans het volgende zullen overnemen. Onzes inziens is dit een eisch, die men mag stellen aan elk blad, dat nog een greintje fatsoen heeft.

De "Berner Tagwacht" van 12 Augustus j.l. bevatte het volgend artikel:

Armenië

Professor Dr. Forel schrijft ons:

de heer Dr. Eduard Graeter, een Zwitzer, vroeger leeraar in Aleppo (Turksch Klein-Azië) bezocht mij dezer dagen en gaf me de volgende regels om ze naar believen te gebruiken, resp. te publiceeren.

De mede-onderteekenaar, Dr. Niepage, is een Duitscher.

Beiden hebben tengevolge van de toestanden daar van hun betrekking als onderwijzer van Armeensche kinderen te Aleppo afstand gedaan. Twee anderen, die het stuk mede onderteekenden, noem ik hier niet, doch van de genoemden heb ik daartoe volmacht.

Nadat het Duitsche Ministerie van Buitenlansche Zaken het stuk reeds in October 1915 had gekregen, doch het verzweeg, terwijl de onderteekenaars den moed hebben, ervoor in te staan, zou ik mijnerzijds zwijgen als een lafheid beschouwen.

Dr. Eduard Graeter ken ik reeds sedert jaren als een uitnemend man, die hooge idealen najaagt en zich daarvoor opoffert. Van partij kiezen uit haat tegen Duitschland en de Duitschers, van eenige overdrijving en valsche tendenz kan dus bij hem geen sprake zijn. Bloedverwanten van Dr. Ed. Graeter zijn bovendien in Basel welbekend door hun groote en opofferende werkzaamheid in de geheelonthoudersbeweging.

Elk commentaar zou het korte bericht aan het Duitsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken slechts schade doen.

Stom van ontzetting staat men tegenover zulke feiten. Gaat dan de wapenbroederschap der Duitschers en Turken zoover, dat hier stilzwijgen geboden schijnt?

Voor de Duitsche strategie misschien wel; men kan haar huidige benauwdheid begrijpen. Maar wij, neutrale landen, moeten luid protesteeren tegen zulk een brutale uitroeiing van een geheel volk, die alle wreedheid der roofdieren verre overtreft. Mogen ook al eenige Armeensche kooplieden hun volk in het buitenland een slechten naam bezorgd hebben – dit treft de even wakkere als arbeidzame Armenische boeren en vele andere hunner landslieden volstrekt niet.

Ik moet bekennen, dat ik hoe langer hoe minder ten overstaan van den wereldoorlog begrijp, dat niet elk fatsoenlijk mensch socialist wordt en al zijn kracht en energie voor den internationalen vrede op aarde aanwendt.

Yvorne, 10 Augustus 1916,
Dr. A. Forel,
voormalig hoogleeraar in Zürich.

---------

Aleppo, 8 October 1915.

Wij nemen de vrijheid met verschuldigden eerbied het volgende aan het Ministerie van Buitenlandsche Zaken te berichten:

Het schijnt ons onze plicht, de opmerkzaamheid van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken erop te vestigen, dat aan onzen arbeid in de school voortaan de zedelijke grondslag en de achting bij de hier woonachtige bevolking moet ontbreken, wanneer de Duitsche regeering inderdaad niet in staat zou zijn, de brutaliteit te verzachten, waarmee men hier optreedt tegen de verbannen vrouwen en kinderen van gedoode Armeniërs.

Ten overstaan van de gruweltooneelen, die zich dagelijks bij ons schoolgebouw, onder onze oogen voltrekken, is onze arbeid in de school gedaald tot een hoon op het menschelijk gevoel.

Hoe kunnen wij, onderwijzers, Sneeuwwitje en de zeven dwergen met onze Armenische kinderen lezen, hoe moeten wij vervoegen en verbuigen, wanneer op de open plaatsen tegenover en naast ons schoolgebouw de dood huishoudt onder de verhongerde stamgenooten van onze scholieren, meisjes, jongens, vrouwen, die haast naakt op de grond liggen, terwijl anderen tusschen ongelukkigen, die reeds hun lijden hebben geëindigd en tusschen reeds klaar staande doodskisten hun laatsten adem uitblazen!

Veertig tot vijftig skeletten blijven over, wanneer 2000 tot 3000 gezonde boerenvrouwen uit Boven-Armenië hierheen gedreven worden. De mooisten worden uitgeroeid door de lusten hunner bewakers. De leelijken vallen aan stokslagen, honger, dorst ten offer, want terwijl ze aan den oever van het water liggen, laat men de verdorstende schepsels niet drinken. Europeanen, die brood onder de hongerden wilden verdeelen, weigerde men dat. Meer dan 100 lijken van verhongerden draagt men dagelijks uit Aleppo naar buiten. En dat alles geschiedt onder oogen van hooge Turksche ambtenaren. Veertig tot vijftig skeletten liggen op een open plaats bij onze school bij elkaar. Zij zijn krankzinnig. Zij hebben verleerd te eten. Geeft men hen brood, dan leggen zij het onverschillig op zij. Zij kreunen zachtjes en wachten op den dood.

Ta-a-lim el alman (de leer der Duitschers), beweren de inboorlingen, is dat. Gruwelijke vlekken dreigen het eerschild van Duitschland te bevlekken in de toekomstige geschiedkundige herinnering der Oostersche volken. De Duitschers, zeggen de meer beschaafden onder de bewoners van Aleppo, willen deze gruwelen niet. Misschien weet het Duitsche volk er niets van. Hoe zouden wij anders bij de waarheidslievende Duitschers krantenartikelen mogelijk zijn, die van humane behandeling der Armenische hoogverraders berichten?

Doch wellicht zijn de Duitsche regeering door zekere verdragen omtrent compententie de handen gebonden?

Neen, wanneer het er om gaat, dat duizenden hulpelooze vrouwen en kinderenden zekeren hongerdood tegemoet gevoerd worden, hebben toch de woorden "opportuun" en "verdrag omtrent compentie" geen beteekenis meer.

Ieder beschaafd mens is daar competent en heeft tot heiligen plicht zich er in te mengen. Onze naam in het Morgenland staat op het spel. Ook fijner gevoelende Turken en Arabieren schudden medelijdend het hoofd, wanneer bij het transport door de stad brutale soldaten met knuppels op hoogzwangere vrouwen losslaan, die zich niet meer kunnen voortsleepen. Nog staan vreeselijke hecatomben te wachten, dat toont het in de bijlage aangehaalde bevelschrift van Djemal Pasja... (den ingenieurs van den Bagdad-spoorweg is verboden fotografiën van treinen met Armeniërs op te nemen. Alle reeds genomen fotografische platen moeten binnen 24 uur worden ingeleverd. Anders zal er vervolging volgens het krijgsgerecht plaats vinden).!.. een bewijs, dat men ter plaatse, waar de verantwoordelijkheid ligt, het licht wel schuwt, maar toch aan deze de menschheid onteerende tooneelen geen einde willen maken.

Het is ons bekend, dat het Ministerie van Buitenlandsche Zaken van andere zijde reeds uitvoerige schilderingen de toestanden hier ter plaatse ontvangen heeft.

Daar echter in de manieren van deportatie tot dusverre niet het minste veranderd is, zoo voelen wij ons dubbel verplicht tot dit bericht, te meer, daar wij in het buitenland het ontzaglijke gevaar duidelijk inzien, dat hier den Duitschen naam dreigt.

(Was geteekend)
DR. EDUARD GRAETER
DR.NIEPAGE

Wij onzerzijds hebben aan deze stukken evenmin iets toe te voegen. Alleen dit tot goed begrip van het schrijven der beide Duitsche leeraren: de mannen der gedeporteerde vrouwen en kinderen, over wie het schrijven loopt, zijn door de Turken reeds vermoord in Armenië zelf.

Colofon