De Tribune, 2 oktober 1917
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Een toppunt van driestheid der Turksche worgers

Het tegenwoordige hoofd van de kleine bende worgers en beroepsmoordenaars, die aan het hoofd van het ongelukkige Turksche Rijk staan, Talaat, heeft, de gewoonten der Europeesche Regeering ook in dit opzicht naäpend, dezer dagen door zijn telegraafagentschap een lang stuk laten rondseinen, waarin hij zichzelf en zijn mede-schavuiten een brevet geeft van braafheid.

Deze wreede, bloeddorstige kanaljes, die onder de afgrijselijkste martelingen eenige honderdduizenden weerlooze vrouwen en kinderen in koelen bloede hebben laten slachten – op een manier, waar hun voorganger Abdul-Hamid nog een lesje aan kon nemen – durven nu rondseinen:

"Zoo verspreiden onze vijanden overal de fabel, dat wij vijandelijke onderdanen en gevangenen slecht behandelen. Ze spreken van Armeniërs en Israëlieten aangedane gruwelijke behandeling, maar voor wij en verscheiden menschen van onzijdigen landaard, die uitsluitend in dienst van menschelijkheid en gerechtigheid handelen, dit nieuws loochenden, was de waarheid al doorgebroken."

Twee lange kolommen van onze groote dagbladpers in de kleinste letter gaat dat zoo door.

En een veile en zedelooze krant als het blad van de Rotterdamsche reeders, neemt het allemaal op. Zonder kommentaar.

Voor een oproep om steun voor de laatste overgebleven slachtoffers van deze zelfde worgers was er geen plaatsruimte, herinnert men zich, niet waar? Vanwege den papiernood.

v. R.

Colofon