De Tribune, 16 oktober 1915
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De uitmoording van een volk

Wij hebben al veel beleefd aan gruwelen gedurende dezen oorlog. Ons gevoel, zelfs van wie zich telkens en telkens weer een denkbeeld tracht te vormen van de eindelooze zee van jammer om ons heen, is, we willen of niet, na een jaar afgestompt.

Maar toch huiveren we weer, wanneer we de berichten lezen, in de laatste weken talrijker in de groote pers voorkomend, over een episode in den huidigen oorlog, een episode, maar die nu pas tot ons begint door te dringen. Die episode is de hernieuwde poging tot uitmoording van een geheel volk: het Armenische.

Reeds eenmaal is dat volk in de jongste geschiedenis van het kapitalisme opgeofferd aan de belangen van een der Mogendheden, die om "sferen van invloed" en bank-concessies met elkaar worstelen. Het was in de jaren, toen Duitschland er nog belang bij had, den bloedigen, half-krankzinnigen despoot, die toen nog te Konstantinopel zetelde, Abdul-Hamid, te paaien, teneinde zich de concessie van den Bagdad-spoorweg te verzekeren.

Bij honderdduizenden – het is alles later in gruwelijke bizonderheden bekend geworden – zijn toen de Armeniërs, een beschaafd, Christelijk volk, van Indo-Germaanschen oorsprong, geen wilden of barbaren, geen Zulu's of Kirghizen, maar Indo-Europeanen, Christenen, vreedzame handelaars, boeren en burgers, net als de Duitschers of wij, neergeknuppeld, vermoord onder de afschuwelijkste martelingen en vernederingen, als beesten neergesabeld en doodgestoken door de doodslagers en bandieten van den bloedigen Sultan.

Terwijl één wenk, één bevel van de gezanten der groote Mogendheden, vooral van den Duitschen gezant, hen had kunnen redden.

Nu heeft zich dezelfde tragedie herhaald. Het lijdt geen twijfel meer, na de jongste berichten, ook uit niet-Engelsche bron, b.v. in de Zwitsersche pers verschenen.

Weer zijn heele dorpen, heele steden, heele landstreken, waar geen oorlog is, in bloedige lijkenvelden veranderd. Ditmaal op bevel van de "verlichte" Jong-Turken, van de heeren, bij wie een Van Kol op visite was, toen zij pas hun Revolutie hadden gemaakt, die hij zijn vrienden noemde. En ook deze maal met stilzwijgende goedkeuring, ja, waarschijnlijk op vele plaatsen onder het oog, der Duitsche consuls, die nu in het Turksche Rijk volslagen de gebieders zijn.

Weer heeft het Kapitalisme een bladzijde, gruwelijker en bloediger dan zelfs de oorlog, aan zijn afgrijselijke annalen toegevoegd.

De Amerikaansche kapitalisten zullen nu trachten de nog overlevende Armeniërs te redden. Te redden, d.w.z. hen als arbeidsvee in hun moordende fabrieken te stoppen. Kapitalistische menschenliefde. Maar Wilson, die pas weer goede maatjes is geworden met Duitschland, heeft deze nieuwe gruweldaad niet voorkomen, ofschoon hij het had kunnen doen, als hij gedreigd had. En de krokodillentranen, die de Yankees nu huilen, zijn evenveel waard als die van de Engelschen.

En wat te zeggen van onze Hollandsche pers? Over het lot van de Boeren is zij nu nog niet uitgejammerd. Over België jankt zij nog steeds. Maar, nietwaar, dat zijn ook stamverwanten, en aan stamverwanten is wat te verdienen.

Die Armeniërs echter! Welke koopman doet er hier zaken met hen? En 't gevoel van den kapitalist begint eerst, waar 't belang van zijn beurs hem waarschuwt.

v. R.

Colofon