De Telegraaf, 7 oktober 1916
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Duitschland en de Armenische gruwelen

Men weet met volkomen zekerheid, dat de Armenische gruwelen niet het gevolg waren van een uitbarsting Mohammedaansch fanatisme. Integendeel, het betere deel van het Turksche volk keurde ze af. In ontelbare gevallen werd aan de Armeniërs door Turksche burgers een onderkomen aangeboden, in de hoop ze aan het hun wachtende lot te onttrekken. Turksche ambtenaren, die weigerden het hun opgedragen handlangerswerk te volbrengen, moesten ontslagen, andere die door te groote gematigdheid zondigden, vervangen worden.

Trouwens, ook de massa-moorden, in 1895–96 door Abdul Hamid aangericht, hadden niet hun voornaamsten grond in rituelen haat. Het was er voornamelijk om te doen de intelligente, werkzame en voor het meerendeel zeer welgestelde Armenische bevolking van have en goed te berooven. Het Islamisme was slechts een welkom voorwendsel. Maar zelfs met de hulp der Koerden gelukte het den luien, geestelijk tragen Turken niet dan een betrekkelijk klein gedeelte der Armeniërs uit te roeien.

Bedenkelijker werd de toestand in 1908, toen het Comité voor eenheid en vooruitgang, een bende, waarbij vergeleken de Roode Sultan een gemoedelijke oude heer was, Turkije onder dwangbeheer stelde. Talat Bey en Enver Pasja waren bij de Duitschers in de leer geweest en kende de waarde van grondige organisatie. Hun doel was voor eens vooral Armeniërs en de Armenische kwestie uit den weg te ruimen. Het heeft eenige jaren geduurd vóór ze hun slag sloegen, maar 't was inderdaad een coup de maître. In de eerste helft van 1915 werden achthonderdduizend Armeniërs vermoord.

Met geringe afwijkingen werd overal dezelfde methode toegepast. De Armeniërs werden uit hunne huizen gedreven, nadat de straten door Turksche troepen afgezet waren. De weerbare mannen – naar Turksche opvatting alle mannen tusschen 15 en 70 jaar – werden naar het gebergte gevoerd, en daar, dikwijls na onmenschelijke folteringen, vermoord. Onder de jonge, schoone vrouwen werd een eerste keus gedaan voor de harems der hoogere ambtenaren. die van de tweede selectie werden verkocht. Ieder Mohammedaan kon voor een à drie medjidjieh – 2 tot 6 gulden – eigenaar worden van een, door eeuwenoude beschaving veredelde, Armenische vrouw. Onder de overblijvenden vond allicht de een of andere subalterne politie-beambte nog iets van zijn gading. In de kustlanden werd dan de rest, kinderen, oudere vrouwen, grijsaards, naar zeilschepen gebracht en in volle zee verdronken. Ook de rivieren, voornamelijk de Euphraat, boden een welkome gelegenheid tot verdinken op groote schaal.

In het binnenland ging men eenigszins anders te werk. Nadat de weerbare mannen vermoord waren, werden de overige Armeniërs in lange karavanen, half of geheel naakt, onder de brandende zon naar een onbekende bestemming gedreven. De Turken wisten, de Armeniërs vermoedden slechts, dat die onbekende bestemming de dood was. Eenige van die karavanen bereikten die bestemming eerst, na 45 dagen lang met stok- en zweepslagen voortgejaagd te zijn. In sommige gevallen was het den Armeniërs veroorloofd een kleine soms geld mee te nemen. Dat ze hun van geen nut was, bewezende naakte lijken, die de wegen bedekten. In iedere plaats die bereikt werd, werden de ongelukkige slachtoffers voor het gouvernementsgebouw opgesteld, om den Turken gelegenheid te geven onder de vrouwen, meisjes of knapen een keuze te doen. Het komt ons niet gewenscht voor te beschrijven hoe de vrouwen onderweg behandeld werden. De opgekropte verontwaardiging zou zich uiten in verwenschingen, die men in een deftig, neutraal land liever niet onder de oogen krijgt.

Maar wèl dient de vraag gesteld: Heeft Duitschland zijn bondgenoot de behulpzame hand geboden, of is het passief toeschouwer gebleven? Aan het uiterst lezenswaardige boek van Arnold Toynbee, De moord van een volk, met een voorrede van lord Bryce, ontleenen wij de volgende gegevens.

Een kabeltelegram uit Kaïro, dat einde Sept. 1915 in de bladen van Parijs gepubliceerd werd, verklaarde:

"Vluchtelingen uit Syrië melden dat meerdere Duitsche consuls de uitroeiing der Armeniërs geleid, of daartoe aangespoord hebben. Speciaal worden genoemd de heer Rossler, consul in Aleppo, die naar Anatolië ging, om de moorden in persoon te leiden, en baron Oppenheim, die het plan opmaakte de vrouwen en kinderen van de onderdanen der met Duitschland in oorlog zijnde staten naar Urfa te brengen, wel wetende, dat zij daar getuigen zouden zijn van de onmenschelijkheden door de Turksche troepen in de van bloed druipende straten bedreven."

En de New Yorker Gotchnag schreef 4 Sept. 1915:

"Een buitenlandsche correspondent bericht, dat de gouverneurs der provinciën, die bij de uitvoering der bevelen, betrekkelijk de uitwijzing der Armeniërs, gebrek aan energie betoonden, door de Duitsche beambten ter verantwoording geroepen werden."

Men kan aan deze berichten natuurlijk geen bewijskracht toekennen. Het lijkt onwaarschijnlijk, dat Duitsche beambten bij de moorden behulpzaam waren. Maar als dat gezegd is, is ook alles gezegd wat tot verontschuldiging van Duitschland bijgebracht kan worden. Turkije zou zeker gehoorzaamd hebben aan een veto der Duitsche regeering. En men vergete niet, dat in iedere plaats van beteekenis in Anatolië, Cilicië en het eigenlijke Armenië, een Duitsche consul gevestigd is. Het staat vast, dat deze consuls, die daar een onbeperkt gezag uitoefenen, de Armeniërs hadden kunnen redden. Ook kan men niet aannemen, dat de Duitsche regeering niet tijdig in kennis gesteld is van de gruweldaden. De "New York Herald" van 6 October 1915 schreef:

"In Juli l.l. noodigden de Vereenigde Staten de Duitsche regeering uit, mede te werken om een einde te maken aan de geweldadigheden, wier doel de systematische massa-moord is van de 1.250.000 onder Turksch bewind levende Armeniërs. Die uitnoodiging is onbeantwoord gebleven.

De Amerikaansche gezant te Constantinopel wendde zich toen tot den Duitschen gezant. Maar Frieherr von Wangenheim verklaarde, dat het hem niet mogelijk was in de binnenlandsche aangelegenheden van Turkije in te grijpen."

Duitschland wenschte neutraal te blijven. In hoeverre zulke neutraliteit gelijk staat met medeplichtigheid, make ieder voor zichzelf uit. Graaf Ernst von Reventlow, dien men noode gemist zou hebben, nu er spake is van gruwelmisdaden, schreef in de "Deutsche Tageszeitung":

"Als de Porte het noodig oordeelt Armenische opstanden en andere handelingen met alle ter beschikking staande middelen te onderdrukken, en alle mogelijkheid eener herhaling uit te sluiten, dan is dit geen moord en geen gewelddadigheid , maar eenvoudig een maatregel van gerechtvaardigden en noodwendigen aard."

De "New Yorker Tribune" van 8 October 1915 denkt daar anders over, en wij hopen, dat zij de tolk is van heel de beschaafde wereld als zij schrijft:

"Deze schandelijke episode uit de moderne geschiedenis, die zich daar in Armenië afspeelt, is slechts de weerklank en de uitbreiding van de hoofdbehandeling: de Duitsche inval in België, nu 14 maanden geleden. Dat was het beslissende gebaar, dat was het teeken aan de Turken en Koerden.

Heden ziet de wereld zonder verbazing, en zonder aan hunne geloofwaardigheid te twijfelen, op de berichten die uit de afgelegen gewesten van Klein-Azië tot ons komen.

Dit ingrijpen van Duitschland in de wereldgeschiedenis is niet alleen een verkrachting van het geschreven recht. Dat zou maar bijzaak zijn. Wat Duitschland gedaan heeft staat gelijk met een terugkeer in de duisternis der middeleeuwen."

Ten slotte zij nog geciteerd wat graaf von Reventlow den 20en Mei in de "Deutsche Tageszeitung" schreef:

"Het gevoel van Duitsch-Turkschen samenhang (Zusammengehörigkeit) heeft zich in den loop van het laatste tiental jaren diep in het Duitsche volk ingeworteld."

En ditmaal kan men het met den man volkomen eens zijn.

CARL SMULDERS.

Colofon