De Telegraaf, 6 november 1918
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Turkije en de Armeniërs

Het Armeensch Corr. Bur. in Den Haag schrijft ons:

De nieuwe grootvizier, Izzet Pasja, heeft in zijn ministerieele verklaring het besluit van het nieuwe kabinet te kennen gegeven, om allen naar hun haardsteden te laten terugkeeren (er kan slechts sprake zijn van de Armeniërs), die, door militaire noodzakelijkheid, van de eene plaats naar een andere, naar het binnenland waren gedeporteerd; eveneens wordt er gezegd, dat hunne goederen hun teruggegeven zullen worden.

Deze beloften van het nieuwe kabinet, gedaan aan den vooravond van den volkomen nederlaag der Turken, laten de Armenische kringen volmaakt onverschillig; deze woorden zijn een comediespel, om Turkije weer in eere te herstellen in de oogen der Entente.

Naar de meening van de Armeniërs is de met ophef aangekondigde terugkeer van de overlevenden der gedeporteerden naar hunne haardsteden een voorwendsel, om deze ongelukkigcn te beletten, een toevlucht en bescherming te vinden bij de Engelschen, wier dappere legers Armenië snel naderen.

De Armeniërs kunnen niet het minste vertrouwen hebben in eenig Turksch bestuur. Als men een terugblik in het verleden werpt, zal men zien, dat alle regeeringen, die elkander opgevolgd zijn in Turkije, de vervolging der Armeniërs als een beginsel van binnenlandsche politiek aanvaard hebben. Artikel 61 van het verdrag van Berlijn in 1878, erkent de noodzakelijkheid van hervormingen in Armenië en de bescherming der Armeniërs tegen de Turksche vervolgingen; niettegenstaande, dit alles, zijn deze voortgezet met steeds meer bloeddorstigheid, getuige de moordpartijen, georganiseerd door Abdoel-Hamid die van 1908 onder het bestuur der Jong-Turken en eindelijk in 1915 de uitmoording van een millioen Armeniërs onder het voorwendsel van militaire noodzaak.

De Armeniërs hopen, dat de geallieerden de algeheele bevrijding van Armenië van onder het Turksch juk zullen eischen.

Colofon