De Telegraaf, 21 juli 1913
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De toestand in Armenië

De berichten uit Armenië bewijzen, dat men den toestand aldaar als zeer ernstig moet beschouwen. In alle deelen van die provincie volgen de misdaden en moorden elkander met groote snelheid op, zonder dat de bedrijvers gestraft worden. Daar te Bitlis een zekere Emin Mehmed vermoord werd, hebben de Koerden nu gedreigd, alle Armeniërs van het naburige dorp Nabaïn te zullen vermoorden. De bewoners, door die bedreiging verschrikt, zijn gevlucht en hebben de wijk naar Bitlis genomen. Gendarmes, die naar Bor gezonden waren in verband met nieuwe moordpartijen van Koerden en Mohammedanen, hebben, in plaats zich van hun opdracht te kwijten, den dorpelingen al hun goederen ontstolen. Het Armenisch patriarchaat heeft tegen dit optreden geprotesteerd, waarop de Ottomaansche regeering de betrokken gendarmes voor den krijgsraad heeft gedaagd. Twee Armeniërs van Boulanik, die op weg waren naar Bitlis, zijn door Koerden van Hangassar vermoord en uitgeplunderd. Hun lijken werden onder hooi verborgen.

De vali van Van bericht, dat een bloedig treffen heeft plaats gehad tusschen de bende van Col Nedjau en twee detachementen gendarmes. Na een strijd van een paar uur werd de bende op de vlucht gejaagd. Talrijke Perzische roovers hebben getracht zich meester te maken van het vee, dat aan de Christen-inwoners van Van toebehoort.

Colofon