Tilburgsche Courant, 3 april 1898
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Turksche Gruwelen in Armenië

De heer M. de Ras schrijft in de Z.L.:

Langzamerhand begint zich meer licht te verspreiden over de bloedige gebeurtenissen in 't laatst van 1895 en 1896 in Armenië voorgevallen. De Engelsche en Fransche pers heeft hiertoe het meeste bijgedragen.

In Augustus 1895 schreef E. J. Dillon in de Contemporary Review zijn opstel "The condition of Armenia", en Fr D. Creene in het Maart-nummer van New-York-Londen "The Rule of the Turk". Begin 1896 verscheen van de hand van den Franschen schrijver P. Fr. Charmetant "Le Martyrologe arménien", terwijl Godet te Neufchatel zijn "Souffrances de l'Arménie" het licht deed zien, en Clemenceau te Parijs in Juli 1896 "Les Massacres d'Arménie" uitgaf.

In Augustus 1896 heeft eindelijk ook een Duitsch schrijver, de heer Lepsius, de aandacht zijner regeering trachten te vestigen op deze stelselmatige moorden op groote schaal, gepleegd onder zulke afschuwelijke wreedheden, dat een Roodhuid er van gruwen zou.

Ruim 100.000 Armenische christenen, zoowel Roomsch-Katholieken, Protestanten als zij die tot de Grieksche Kerk behoorden, mannen, vrouwen, grijsaards en kinderen, zijn doodgeschoten, in stukken gehakt, levend verbrand, om van andere gruwelijke barbaarschheden maar niet te spreken.

Lepsius wijdt er 52 bladzijden aan, hij somt de meest afschuwelijke feiten op, die ik den lezer liefst wil sparen, en ten slotte vraagt de schrijver: "Wie zijn de schuldigen? Waar moet het heen, en of dan niets de groote mogendheden uit hun apatische rust kan wakker schudden.

Alleen deze menschenslachting ware voldoende om den Turk niet alleen uit Europa, maar ook uit Klein-Azië te jagen, of hem daar althans met zijn vrienden de Kurden en Tcherkessen, onder streng toezicht te houden. Want het blijkt nu, dat het uitmoorden der Armeniërs, op stelselmatige wijze is voorbereid geworden, dat het signaal tot de gruwelen door de autoriteiten ter plaatse gegeven is, dat het wachtwoord van Constantinopel is uitgegaan, en dat de beulen ten slotte, ook op bevel van hoogerhand, hun slachtoffers dwongen onder de ontzettendste folteringen, adressen van dankbaarheid aan den Sultan te teekenen, inhoudende, dat de geregelde en ongeregelde troepen, – die nl. aan het moordwerk meer deelgenomen hebben dan het gepeupel, – alles in 't werk hadden gesteld, om leven en eigendom der Armenische Christenen te behoeden. In diezelfde adressen moesten dezen dan hun eigen bloedverwanten van hoogverraad beschuldigen.

Feitelijk bestaan er voor 't oogenblik in de vilajets hierna te noemen, weinig of geen Armenische christenen meer. Want de overblijvenden zijn zoolang gefolterd, tot zij tot den Islam zijn overgegaan. Lepsius schrijft... "Ik heb de lijst voor mij liggen van 646 dorpen, waarvan de weinige in 't leven gebleven bewoners te vuur en te zwaard tot den Islam zijn bekeerd. Daar werden 568 kerken en 77 kloosters, totaal uitgeplunderd, onbewoonbaar of met den grond gelijk gemaakt, terwijl 328 Christen kerken in moskeën veranderd werden.

Dat zijn nog maar getallen voegt hij er bij, die in de verste verte den omvang der feiten niet weergeven.

De moorden en andere gruwelen hebben hoofdzakelijk plaats gehad in de vilajets Trapezunt, Erzerum, Bitlis, Wan, Charput, Diarbekir, Sivas, Aleppo, Angora en Adana. In de meeste steden werd het sein tot den moord door trompetsignaal aangekondigd, en ook op trompetsignaal geëindigd. Bijna overal waren meerdere dagen noodig om het bloed- en beulenwerk te volbrengen. Niemand en niets werd gespaard. Het ergst nog waren er de vrouwen en jonge meisjes aan toe. Soms werden de Armenische Christenen eerst ontwapend, onder belofte van lijfsbehoud, daarna vermoord. Nazef Pacha van het garnizoen te Urfa, eischte van de daar wonende Armeniërs 1800 Martini geweren op, en daar zij die niet bezaten moesten zij ze van de Turken koopen, en dien hoofdofficier nog een aanzienlijke som gelds betalen.

Toen dit geschied was, begon de slachting, en stormden de soldaten op de Armenische wijk af, terwijl de kommandant hen tot moordwerk aanmoedigde.

Als men de beschrijving leest van het uitmoorden en verbranden der prachtige Kathedraal in die stad, en wat daarbij gebeurd is, dan kan de geschiedenis geen enkel feit aanwijzen dat hierbij kan vergeleken worden.

Majoor Halim-Effendi, berucht door het in 1894 uitmoorden der welvarende stad Sassum, volbracht in Juni 1895 dat werk te Aigestan, de Armenische voorstad van Wan. Acht dagen duurde hier de slachting, die voorafgegaan werd door eene beschieting uit 6 vuurmonden.

Te Ziley, een welvarend stadje, moedigde de gouverneur de moordenaars aan, terwijl hij door 50 soldaten een geregeld geweervuur liet onderhouden. Dit zijn slechts eenige staaltjes uit honderden.

Colofon