Tilburgsche Courant, 25 juni 1899
Bron: Koninklijke Bibliotheek

In het land der vrijheid

"Bij de vertegenwoordigers der Jong-Turksche partij, de heeren Pierre Anméghian en Georges Cléanthe Scalieri, die in het Hotel Central te 's-Gravenhage zijn gelogeerd, vervoegde zich een inspecteur van politie, en vroeg hun naar hunne papieren, die onmiddellijk getoond werden. Nadat de politieambtenaar een half uur de papieren, die volkomen in orde waren, zeer nauwkeurig had onderzocht, vroeg hij den heeren naar... hunne middelen van bestaan. Verrast door deze vraag, meenden zij dat het feit, dat zij hunne hotelrekening prompt betalen, evenals het drukwerk enz. dat zij hier laten verrichten een voldoend bewijs mocht worden geacht, dat zij geen oplichters of landloopers zijn. Neen, dat geen voldoend bewijs; zij moesten hun beurs toonen, om te laten zien hoeveel er in was. Ofschoon door de manier waarop men hen behandelt in dit "land der vrijheid" begrijpelijkerwijs zeer ontstemd, voldeden de heeren gereedelijk aan het verzoek. Gelukkig waren zij ruimschoots van contanten voorzien, en kunnen zij, zoo noodig, over de geheele kas der Jong-Turksche partij beschikken. Men kan hen dus niet als "vreemdelingen, zonder middelen van bestaan" over de grenzen doen zetten, welk voorwendsel anders zonder eenigen twijfel gretig zou worden aangegrepen om hun te beletten hier hunne zaak te bepleiten."

(Av. P.)

Colofon