De Standaard, 4 juli 1899
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Eerste Kamer

De vraag is opgeworpen, of niet de Eerste Kamer, nog eer de zomer-stilte ingaat, zich bij de Regeering informeeren kon over het gebeurde met Tschéraz en Ahmed-Riza c.s.

Als teeken van leven, en voorloopig protest, zou dit zeker uitnemend zijn; mits men zich tot het vragen om inlichting beperke.

Voor het uitspreken van een oordeel is de zaak nog niet rijp, en het oogenblik nog niet gekomen.

Zoolang de Vredesonferentie in Den Haag zitting houdt, is zelfs het oordeel onvrij. Maar wel zal het tegenover het Buitenland een uitnemenden indruk maken, indien men hoort, dat er op officieel terrein althans een woord van protest is uitgegaan, om in het vrije Nederland tegen alle binding van het vrije woord op te komen.

In het Buitenland maakt geen enkel orgaan der pers onderscheid tusschen hetgeen hier te lande rechtstreeks van de hooge Regeering en hetgeen van de lagere autoriteiten is uitgegaan.

Terecht beseft een ieder buiten onze grenzen, dat, met name waar het vreemdelingen geldt, de hooge Regeering den toon aangeeft, tucht over de lagere autoriteiten heeft te oefenen, en in elk geval voor al wat voorviel aansprakelijk is en blijft.

De politie kan men niet interpelleeren, noch ook het parket ter verantwoording roepen.

Ter verantwoording kan alleen de hooge Regeering worden geroepen door het daarvoor aangewezen orgaan der Volksvertegenwoordiging.

En nu de Tweede Kamer de interpellatie-Pyttersen niet meer kan afhandelen, zou daarom een interpellatie in de Eerste Kamer ongetwijfeld op haar plaats zijn.

Is er metterdaad van buitenaf pressie uitgeoefend, en heeft men, hetzij met het oog op de Vredesconferentie, hetzij met het oog op de Koloniën, geoordeeld voor die pressie te moeten zwichten, laat men dit dan, desnoods in comité-generaal, rondweg erkennen.

Dat redenen van Staat soms ernstig gewicht in de schaal kunnen leggen, ontkent niemand.

Maar vóór alle dingen worde het vertrouwen hersteld, dat nu op zoo ernstige wijze geschokt is.

Colofon