De Standaard, 23 juni 1899
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Pleidooien voor verdrukten

In Diligentia te 's Gravenhage hield gisteravond de "Jong-Turk" Ahmed Riza zijne voordracht over de grieven tegen het Turksche bestuur in Armenië.

Van de gedelegeerden werd niemand ter vergadering opgemerkt., wel waren er eenige Kamerleden, o.a. Dr. Kuyper, Van Heemstra, De Ras, Van Gilse, Troelstra en Smeenge, terwijl de leiding in handen was van den heer Van Kol, zonder dat de reden werd medegedeeld waarom niet de heer Kerdijk, die in de uitnoodigingsbrieven als voorzitter was genoemd, de vergadering leidde. In de voorste rijen waren gezeten, de Haagsehe hoofdcommissaris van politie, de heer Van Schermbeek en een inspecteur bij de recherche, die aanteekeningen maakte.

De heer Van Kol opende de vergadering met een woord van welkom en drukte zijn leedwezen uit over het feit, dat deze samenkomst met zooveel moeielijkheden te kampen had gehad, des te meer verheugde hij zich, dat ze nu toch plaats had en hij haar mocht leiden. Nu nam Ahmed Riza zelf het woord; de haat, den strijd en de verdrukking schilderende in zijn land (Armenië) opgewekt door de politiek van den tegenwoordigen Sultan, de eenige oorzaak van alle rampen. Hij herinnerde daarbij aan de Armenische moorden en verschrikkingen, Armenië wordt beschouwd als niet te behooren tot het geschaafde Europa. Rusland spoort Turkije aan om zijn misdadige staatkunde voort te zetten, en Rusland, dat zich als vredesapostel vooropstelt, is zelf de oorzaak dat onnoemelijk velen zijn gedood of tot ellende gebracht. Men spreekt van ontwapening, maar onder 't gezag van een despoot kan dat niet gemeend zijn, deze heeft de macht nodig om te onderdrukken.

Spr. las daarop het manifest voor door de Jong Turken aan de Conferentie gezonden en zette nader uiteen hoe de Jong Turken zich vrij wenschen te maken van de verdrukking van den Sultan.

Toen de vorige sultan onttroond werd, heeft het volk geprotesteerd, maar het heeft dat moeten boeten met tallooze jammeren, en in de laatste vier jaren hebben de Jong Turken duizenden slachtoffers moeten laten, omdat zij voorstonden recht en rechtvaardigheid. Omdat Rusland ons veracht, daarom acht geheel Europa ons onwaardig, en in de kabinetten der groote mogendheden let men niet op onze grieven, zoo merkte Spr. o.m. op, allen ten strijde oproepende voor zijne verdrukte landgenooten.

Hierna trad de heer P. Anméghian, een Armeniër, op, die in vurige bewoordingen de ruïne schetste, waartoe het Turksche rijk is gebracht door wanbeheer en vervolgingszucht, waarvan hij de schuld wierp niet alleen op de omgeving van den Sultan, maar bovenal op den Sultan zelf, die in Turkije heet "vader" der volkeren, maar spreker herinnerde aan Saturnus, die zijn eigen kinderen verslond.

Aangrijpend was Spr.'s schildering van de Armenische moorden. Ook hij deed een beroep op den vrijheidszin der Nederlanders, op wier steun hij meende te mogen rekenen.

Daar de heer Scalieri door ongesteldheid verhinderd was het woord te voeren, trad in zijne plaats de heer Van Kol op, die ook in scherpe termen het wanbestuur van den Sultan gispte.

Ten slotte trad voor den lezenaar Prof. Lewakowski, door den heer Van Kol aan het auditorium voorgesteld als een man, die geruimen tijd Lomberg in het Oostenrijksche parlement vertegenwoordigd heeft en thans uit zijn land is verbannen.

Waar Ahmed Riza en Anmeghian het lot geschilderd hadden van Turken en Armeniërs, vroeg spreker aandacht als vertegenwoordiger van de verdrukte Polen, als representant eener natie, naar wier stem eertijds met aandacht geluisterd werd te Rome, Parijs en Londen, een stem die heden verstikt wordt op alle mogelijke wijze; een natie, geschrapt van de officieele kaart van Europa, een schim, die opdoemt voor de Vredesconferentie. Maar die schim, – zeide Prof. Lewakowski – heeft een sterk lichaam van 20 millioen menschen, vast besloten te leven en hun aloude beschaving, hun vrijheid, hun onafhankelijkheid te verdedigen.

Spr., ofschoon als de andere die reeds het woord hadden gevoerd, bitter weinig van de Vredesconferentie verwachtende, achtte toch het feit reeds van beteekenis, dat de mogendheden zich bezig hebben moeten houden op hun congres met vraagstukken van humaniteit. En daarom kwam hij ook op voor zijne verdrukte landgenooten en vroeg ook voor hen recht.

Spreker besloot met Turken, Armeniërs, Finnen, Grieken, Philippijnen, en anderen die bloeden met dezelfde wonden als de verdrukte Polen, toe te roepen dat deze laatsten met hen zijn, gelijk zij ook medestanders zijn van Transvaal en de Boeren, die zoo energiek hun onafhankelijkheid verdedigen

De heer Van Kol, met enkele woorden resumeerende hetgeen de verschillende woordvoerders hadden gesproken, en hun uit naam der vergadering hartelijk dank brengende, meende overtuigd te mogen zijn, dat deze mannen niet uit Nederland zouden gaan zonder den indruk te hebben ontvangen dat ons volk een open oor heeft voor strijders tegen onderdrukking van vrijheid.

Van de gelegenheid tot debat, of tot het vragen van inlichtingen, werd geen gebruik gemaakt. De groote zaal van Diligentia was vrijwel gevuld en de vergadering alzoo goed bezocht.

Colofon