Nieuwe Rotterdamsche Courant, 7 april 1914
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De hervormingen in Oostelijk Klein-Azië

Onze Konstantinoplitaansche correspondent schrijft d.d. 31 maart: In mijn laatsten brief over deze zaak (N.R.Ct. 8 februari) heb ik er op gewezen, dat deze voor het voortbestaan van het Turksche rijk in Azië zoo belangrijke kwestie niet vooruit kwam, omdat tusschen de mogendheden, welke de oplossing er van in handen hebben genomen, en de Porte geen overeenstemming kon worden gekregen over eenige punten van bijzonder gewicht, onder welke in de eerste plaats de bevoegdheid, toe te kennen aan de buitenlandsche inspecteur-generaal, om wie eigenlijk het heele hervormingswerk zal moeten draaien, wanneer het werkelijk tot het gewenschte doel zal leiden: aan de Armenische en Koerdische bevolking in de zes Oostelijke provincies van het rijk de noodige veiligheid van leven en bezit te verschaffen onder een behoorlijk, krachtig en rechtmatig bestuur.

De ambassadeurs van Rusland en Duitschland, onderscheidenlijk de drievoudige entente en het drievoudig verbond vertegenwoordigende, waren door de kabinetten der zes groote mogendheden aangewezen om uit naam van alle de onderhandelingen met de Porte te voeren, en men kon van den aanvang af een gelukkige overeenstemming tusschen de twee diplomaten opmerken.

Eindelijk, nu ongeveer drie weken geleden, werden zij het ook met de Turksche regeering eens over de wijze van de benoeming der inspecteurs en over hun werkkring. De twee inspecteurs zullen vaklieden op bestuursgebied zijn, onderdanen van zoogenaamde neutrale kleine staten, en worden gekozen en benoemd door den Sultan uit een lijst van vier personen, welke de zes mogendheden daartoe de Porte zullen voorleggen. Hunne bevoegdheden gaan zoo ver, dat ze het recht zullen hebben zich met alles wat het bestuur der provincies betreft onmiddelijk en ten allen tijden in te laten, alle ambtenaren – die der rechterlijke macht inbegrepen – wegens nalatigheid, plichtverzuim, onbekwaamheid of misbruik van gezag te schorsen, in afwachting van hun ontslag door de regeering, dat deze hun moet geven. Hiervan zijn alleen uitgezonderd de gouverneurs-generaal van de provincies. Bijgeval de inspecteurs de vervanging van deze hoogste ambtenaren noodzakelijk achten, moeten ze de Porte dienaangaande advies geven, de Porte moet dan binnen een week daaromtrent eene beslissing nemen. Strookt deze niet met het inzicht en de voorstellen van den inspecteur, dan kan deze zich op de ambassadeurs der mogendheden beroepen, die dan in overleg met de Porte over het geval beslissen.

Nadat deze overeenstemming was verkregen, hebben de mogendheden, zonder verwijl de lijst van vier candidaten ingediend, uit welke de twee inspecteurs-generaal zullen worden benoemd. De eene zal de vier Oostelijkste, de aan het Russische en Perzische gebied grenzende provincies onder zich krijgen, de andere de twee overige en eveneens zeer waarschijnlijk die gewesten in de Kilikische provincies Adana, Angora en Aleppo, die overwegend door Armeniërs bewoond worden – het zoogenaamde Klein-Armenië –, waar vooral Duitschland uit hoofde van den Bagdadspoorweg, welke er door heen gaat, belangen heeft.

De mogendheden hebben uit de in aanmerking komende kleine staten Nederland en België gekozen, en dan ook twee Nederlanders en twee Belgen op de lijst gebracht. De namen moeten strikt geheim gehouden worden.

Edoch, waren tot zooverre alle kabinetten volkomen eensgezind, nu het op de aanstelling dier twee, eigenlijk directeuren der hervormingen, aankomt, komt weer het streven van Rusland aan den dag om bij de uitvoering er van toch, zooal niet de leidende, dan tenminste een toonaangevende rol te spelen. Daartegen komt nu in 't bizonder de Engelsche regeering in verzet. Hoewel Engeland, uit hoofde van het traktaat van Cyprus van 1879, de toeziende voogd en beschermer van de Armenische gewesten is, had het kabinet van St. James zich tot nu toe bij de behandeling der kwestie van de hervormingen vrijwel achterbaks gehouden, en de oplossing aan Rusland en Duitschland overgelaten. Nu treedt het opeens weer op den voorgrond, en schijnt het tegen het Russische streven te willen opkomen. Ten minste, terwijl Rusland, door Frankrijk gesteund, de Porte aanraadt de twee Belgen tot inspecteurs-generaal te benoemen, wier benoeming het meer ten voordeele van zijn belangen blijkt te houden dan die van de Nederlanders (om welke reden valt nog niet te doorgronden), geeft de Engelsche ambassadeur zich alle moeite de benoeming onzer twee landgenooten door te zetten.

De vertegenwoordigers van het drievoudig verbond kiezen in dezen wedstrijd geen partij, alleen tracht de Duitsche ambassadeur een vergelijk tot stand te brengen op den grondslag, dat een Nederlander en een Belg zullen worden benoemd, tot welke oplossing ook de Porte bereid is. De Russische ambassadeur zou hierin ook wel willen treden, hij verlangt echter dat in dat geval den Belg de inspectie over de vier Oostelijke provincies (die aan Rusland grenzende) zal worden opgedragen. Zijn Engelsche collega wenscht daarentegen, dat in dezen de Porte volkomen vrije hand zal worden gelaten. Wellicht zal men hieromtrent voorstellen, dat den inspecteurs na hunne benoeming en nadat zij het beroep hierheen hebben aangenomen, door het lot der inspectie, met welk zij zich hebben te belasten, worde aangewezen.

Zoo staat het op het oogenblik met deze zaak, welke nu ook ons land bizonder belang moet inboezemen, want, onverschillig welke der beide inspecties onzen landgenoot zal worden toegewezen, de hem gestelde taak zal netelig en moeilijk wezen, de vervulling ervan en het slagen derhalve des te eervoller en verdienstelijker.

Colofon