Nieuwe Rotterdamsche Courant, 3 oktober 1917
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Ingezonden stukken: Armenië

De Turksche legatie heeft de Nederlandsche pers een mededeeling doen toekomen, houdende bezwaren tegen een circulaire van ons Comité ten gunste van de Armeniërs die in noodtoestand verkeeren. Wij begrijpen zeer wel, dat het belang der Turksche regeering met zich brengt om de bekende feiten in een milder daglicht te stellen.

Zoolang het feit der algemeene deportatie van het Armenische volk uit alle oost- en westanatolischen Vilajets, zoomede uit Cilicië en Mesopotamië naar de Arabische woestijnen nog niet bekend was in Europa, Hebben de Turksche legaties in de neutrale landen, ingevolge hun opdrachten, en zooals wij aannemen ter goeder trouw, de deportaties geheel ontkend. Nu nog schijnt het, dat de legaties door de regeering in Konstantinopel zeer onvoldoende onderricht zijn. Want de voor ons liggende verklaring geeft nu weliswaar toe, dat de bevolking van enkele streken om veiligheidsredenen naar "andere deelen van het rijk gedeporteerd zijn", de Turksche legatie weet echter blijkbaar nog niet dat de gehele Armenische bevolking van het Turksche rijk (met uitzondering van het grootste deel der bevolking van Konstantinopel en Smirna) uit hare woningen zijn verdreven en van al haar have en goed beroofd is. Toegegeven dat enkele Armeniërs handelingen hebben gepleegd, die nu in dezen oorlogstijd strafbaar zijn, dan nog is de verdrijving en berooving van ongeveer anderhalf millioen mannen, vrouwen en kinderen buiten elke verhouding tot de dingen, die zijn geschied en die niet erger zijn dan die, welke in de grensgebieden van vijandelijke machten in den regel voorkomen.

Wanneer men in Duitschland en Oostenrijk met Polen en Tsechen, van wie sommige elementen, om welke reden dan ook, naar hun stamgenooten over de grens zijn gegaan, dusdanig had gehandeld, als de Turksche regeering met de Armeniërs had gedaan, dan zoude er in Polen, Silezië en West-Pruisen geen Pool en in Bohemen geen Tsech meer te vinden zijn. Wil men zelfs aannemen, dat in den oorlog ongewone maatregelen tegen enkele deelen der bevolking gebillijkt kunnen worden, dan is het toch op geen enkele manier te verontschuldigen, de geheele burgerbevolking van een natie te deporteeren, met het gevolg dat daardoor volgens betrouwbare en onpartijdige documenten van consuls, zendelingen, ambtenaren en verslaggevers van alle nationaliteiten nog maar bijna een vierde gedeelte in leven is gebleven. Wat hebben de honderdduizenden vrouwen en kinderen, wier leven door moord, honger en ziekte werd vernietigd, met de veiligheid der etappenstraatwegen te maken?

Ook berust de bewering dat Turksche ambtenaren, wegens ernstige misdadige handelingen aan de gedeporteerden begaan, die systematisch aan doodslag, gedwongen overgang tot de Islam en den hongerdood werden prijsgegeven, gestraft zijn, op eene vergissing. Integendeel, de ambtenaren der provincie, tot de Walia (opperpresidenten) toe, die zich kantten tegen de vernietigende maatregelen uit verstandelijke en humane beweegredenen, zijn afgezet en door gewillige werktuigen zijn vervangen. De namen van deze ambtenaren zijn bekend.

De bewering dat de Armeniërs in de door de Russen bezette landstreken hun Mohammedaansche medeburgers meedoogenloos hebben vermoord, is volgens betrouwbare berichten een volkomen uitvindsel, teneinde de moorden op groote schaal te rechtvaardigen.

Het Armeensche Volk staat bekend als vreedzaam en vrij van fanatieke gedachten.

Het doel van ons hulpcomité is, zooals ook de Turksche legatie erkent, niet om zich in politieke aangelegenheden te mengen, maar uitsluitend om gelden te verzamelen voor noodlijdenden. Het bleek echter onmogelijk, de feiten, die oorzaak der ellende zijn te verzwijgen. Want wie zou anders gelooven, dat van de groote anderhalf millioen tellende Armeensche bevolking van het Turksche binnenland (circa 20 % stedelingen, circa 80 % boeren), welke in normalen en voor een deel in goede doen leefde, geen enkel gezin meer huis en hof, haard of woning, goed en geld bezit? Hoe zouden wij anders kunnen verklaren, hoe het gekomen is, dat het vlijtigste en werkzaamste volk van Turkije tot een volk van bedelaars is geworden? Wie zou gelooven, dat van dit volk slechts een ellendig groepje van misschien 200,000 tot 300,000 vrouwen en kinderen zijn overgebleven, die aan den hongerdood zijn prijsgegeven? Wie zou dit allerverschrikelijkst feit der wereldgeschiedenis – dat zoowel door de geallieerden als door de centrale machten is erkend – niet voor een belachelijke uitvinding van een misdadig brein houden, als niet een en ander van de beweegredenen, die er toe leidden, werd vermeld?

Onaantastbare getuigenissen en documenten, ten bewijs van de mededeelingen in onze circulaires hebben wij voor ons in kleinere en grootere Duitsche, Zwitsersche en Amerikaansche publicaties.

Wij maken van deze gelegenheid gebruik om bij het Hollandsche publiek er nogmaals op aan te dringen, milddadig aan de inzameling deel te nemen, welker doel door generlei politieke oogmerken noodig is en geen politieke uitspraak met zich brengt, maar in waarlijk neutralen en humanen zin slechts de redding beoogt van de rest der Turksche Armeniërs, die aan den rand der Arabische woestijnen den hongerdood zijn prijsgegeven.

Het Comité voor hulp aan het Armenische Volk,

ANT. VAN GIJN, Voorzitter

E.J. VAN DER HOOP, Secretaresse-Penningmeesteresse

Kanaalstraat 7a, Den Haag

Colofon