Nieuwe Rotterdamsche Courant, 28 september 1917
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Een rede van Talaat pasja

KONSTANTINOPEL, 24 September. (Milli.) Vertraagd telegram. Het congres der partij voor eenheid en vooruitgang is vandaag gesloten. Het comité heeft grootvizier Talaat pasja tot voorzitter gekozen. Overeenkomstig het besluit van het in 't vorig jaar gehouden congres, werd aan het-centraal comité een algemeene raad toegevoegd, die uit ministers, senatoren en Kamerleden van de partij bestaat en waarvan de leden nu werden gekozen.

Talaat pasja, de grootvizier, hield de volgende rede: Wij staan in het vierde jaar van den wereldoorlog en men had geloofd, dat Europa niet langer dan zes maanden daarvan de vernietigingen daarvan zou kunnen uithouden. In weerwil van de algemeene afmatting, van de bij onze vijanden voorkomende wanordelijkheden, ja zelfs revolutie, willen zij aan de vijandelijkheden geen einde maken. Onze stap ten gunste van den vrede, die het gekwelde menschdom wilde vrijwaren voor verder nutteloos bloedvergieten, was niet in staat, de tegenstanders, die onder invloed van een ontredderd zenuwgestel handelen, waardoor ze de ernstige gevaren, gevolgen van veroverings- en heerschzucht, niet kunnen peilen, tot rede en besef van rechtvaardigheid te brengen. Ons land, dat gedwongen was, snel aan dezen oorlog deel te nemen, terwijl het midden in een geheelen ommekeer van het staatkundige leven stond en nog de uitwerking der vorige aanvallen voelde, moest natuurlijk het ergst onder de verlenging van den oorlog gebukt gaan.

Daar ons volk evenwel is doordrongen van de overtuiging, dat het aanhoudende lijden en het zich getroosten van opofferingen slechts tot versteviging van onzen staat en behoud van de onafhankelijkheid moeten strekken, zal het alle opgelegde moeilijkheden en beproevingen met vasten wil dragen. Afzijdig blijven ten aanzien van dezen oorlog, die erop uit is, ingrijpende omwentelingen in den politieken toestand te voorschijn te roepen en zich de rol van toeschouwer te laten welgevallen, zou voor een staat gelijk staan met zich van meet af aan te laten wegglijden in een weinig eervollen dood. Inzonderheid kon Turkije, dat als schakel tusschen Azië en Europa eeuw na eeuw Europa ten schild was tegen brutale invallen der Moskowieters, geenszins zoo'n afwachtende rol op zich nemen.

Daarom heeft de sultan spoedig na het uitbreken van den wereldoorlog de algemeene mobilisatie gelast en de ottomaansche regeering zich gewapenderhand voorbereid den loop der gebeurtenissen te volgen. De aanval der Engelsche vloot tegen onze vlag was niet als een "casus belli" beschouwd. Wij vergenoegden ons ermee, de Dardanellen te sluiten. Naderhand drong ons de aanval der Russen in de Zwarte Zee en aan onze grenzen de richting onzer geschiedkundige bestemming te volgen. Zoo doende hebben wij, dankbaar begroet, ons naast de middelrijken geschaaard.

Ons leger heeft door de heldhaftige dapperheid, in de verstreken drie oorlogsjaren in gevechten aan verscheiden fronten ontplooid, niet alleen de heugenis aan de voorvaderen weten te wekken en te verheerlijken, maar ook de achting en bewondering der heele wereld gaande gemaakt. Den staat, die steunt op een natie, uit welker schoot zoo'n leger is gerezen, is het eeuwige leven verzekerd en heeft de rechtmatigheid van zijn bestaan ten volle bewezen. Onze vijanden moeten het toegeven en als ze zoo onverdraagzaam zonden zijn om ons heilig recht niet te erkennen, zullen wij hen daartoe dwingen, terwijl we onder bescherming van den Almachtigen den oorlog zullen voortzetten, tot ze daartoe bekeerd zijn. Wij hebben er herhaaldelijk op gewezen, dat we alleen vechten om ons bestaan en onze onafhankelijkheid, om vrije ontwikkeling en vooruitgang. Wij zullen bereid zijn onderhandelingen aan te knoopen op het oogenblik, dat onze vijanden ons laten weten, dat ze zich met die beginselen willen vereenigen. Niet bij machte, op het slagveld het dappere ottomaansche leger te verpletteren noch om hun doel te vuur en te zwaard te verwezenlijken, laten ze binnen en buiten hun grenzen maar een lasterstroom vloeien en deinzen ze voor geen enkele soort propaganda terug om de openbare meening te vergiftigen. Dit geschiedt alleen ten einde voor het sluiten van den vrede voor hun oogmerken den weg te effenen.

Zoo verspreiden onze vijanden overal de fabel, dat wij vijandelijke onderdanen en gevangenen slecht behandelen. Zo spreken over den Armeniërs en israelieten aangedane gruwelijke behandeling maar voor wij en verscheiden menschen van onzijdigen landaard, die uitsluitend in dienst van menschelijkheid en gerechtigheid handelen, dit nieuws loochenden, was de waarheid al doorgebroken. De waarde en de herkomst dier lasteringen heeft men God zij dank dikwijls naar hun waarde opgevat.

Intusschen acht ik het ter inlichting van de openbare meening niettemin noodig, eenige woorden daarover te zeggen. Aan de menschlievende behandeling en de edelmoedigheid, waarvan wij jegens menschen uit vijandelijke landen en gevangenen getuigenis hebben afgelegd, hebben niet alleen neutralen, maar dikwijls ook onze tegenstanders recht laten wedervaren.

Onze soldaten hebben zich de algemeene achting en bewondering, niet slechts door hun daden van dapperheid en schitterenden heldenmoed, in Dardanellen, Mesopotamië enz. betoond, doch eveneens door hun edele en grootmoedige houding jegens de vijanden verworven. De telkens in Engelsche bladen opduikende meedeelingen en vooral de uitingen van een beroemd Engelsch correspondent, die zijn leedwezen betuigde, een zoo edele en dappere natie, die hij zoo gaarne als vrienden aan zijn zij had gezien, als vijanden tegenover zich te hebben, doen daarvan kond.

Een artikel van den beroemden Zweedschen ontdekkingsreiziger Bvon Hedin, de verklaringen van den Amerikaanschen gezant Elkus zoomede de Amerikaanse consuls te Aleppo en Jeruzalem, die vol lof zijn voor de ridderlijke Ottomaansche natie, een artikel in het Zwitsersche blad Der Bund en een in de Osservatore Romano, dat verslag deed over de zorg der Ottomaansche regeering voor de krijgsgevangenen zoomede de berichten van het Roode Kruis over hetzelfde onderwerp zijn naar ik meen voldoende bewijsmateriaal, om mij daarvan te doen afstappen. Onze tegenstanders sluiten onze onder hen woonachtige landgenooten in concentratiekampen of deporteeren hen gelijk Rusland doet naar Siberië en andere verre streken, waarbij hun vermogens in beslag worden genomen, terwijl bij ons, naar iedereen weet, de menschen van vijandelijke nationaliteit vrijelijk hun zaken behartigen. Als wij tegen buitenlanders den een of anderen maatregel treffen, is dat, zooals algemeen bekend is, of als maatregel ter wedervergelding of op militairen grond, hetgeen volkenrechtelijk volkomen verantwoord is.

Overigens kan men zich geen staat voorstellen, die anders zou optreden. De Armeniërs, die al eeuwen onder het vaandel der keizerlijke regeering leven, genieten de zorg daarvan als een element van arbeidzaamheid en eendracht, zoolang ze het oor niet leenen aan van over de grenzen komende influisteringen, die tot oproer en afscheiding ophitsen. De Russen hebben zich ter bereiking van hun doelen aangewend, de christelijke elementen tot opstand op te zetten.

In het midden van de 19de eeuw waren ze onder de Armeniërs beginnen te stoken. Ze vonden eenige Armeniërs, die, rijk aan verbeelding, hun ten werktuig dienden voor opstand en onlusten. In 1877 wendde de Armeensche patriarch, toen de Russen naar San Stefano kwamen, zich tot grootvorst Nikolaas en stelde hem een verzoekschrift ten gunste der Armeensche onafhankelijkheid ter hand. Het gestook, dat daarop volgde, bewerkte de invoeging van art. 61 in het Berlijnsche verdrag. Daarna namen de Komitadzji's, die altijd nog luchtkasteelen bouwden, art. 61 als zinnebeeld aan. Ze ontrolden de vaan van den opstand, om de bevolking te misleiden en de algemeene oplettendheid van het buitenland op zich te vestigen. Door de van tijd tot tijd aangestookte opstanden, vermeerderden zij de moeilijkheden der regeering en brachten onheil over hun volksgenooten. In de dagen van het despotisme beschouwden wij de Ottomaansche patriotten als de meest natuurlijke medestanders in den strijd om de grondwet. Den Armeniërs, die ondertusschen onder het motto "strijd voor de vrijheid" alleen zelfzuchtige bedoelingen najaagden, reikten wij, die van de genoemde gedachten uitgingen, de hand. Wij lieten hun alle politieke rechten ten deel vallen en draalden niet, hun zetels in den senaat, ja, zonder rekening te houden met de geschiedenis des volks, in de Kamer in te ruimen. Wij hebben hun verder plaatsen in den raad van state en de gewichtigste ambten in alle takken van dienst afgestaan. Toen nu de reactie te Konstantinopel opnieuw het hoofd opstak en zich allerwege – over Albanië, Arabië en ettelijke Klein-Aziatische wilajets – uitstrekte, en terwijl wij doende waren, de reactionaire beweging te smoren, welke op de vrijheid en het bestaan van den staat was gemunt, hebben de Armenische komitadzji's zich, ofschoon ze zagen, dat de van binnen en buiten komende aanvallen geen ander doel hadden dan de grondwettelijke regeering ten val te brengen, alweer aan zinsbegoochelingen prijsgegeven en in heel Europa deputaties er op uit gestuurd, die de onvervulbare afscheidingsgedachte predikten.

Terwijl de Armeensche kwestie in dit stadium was, brak de algemeene oorlog uit. Om de reden, in het begin mijner rede blootgelegd, was de regeering genoodzaakt, onverwijld de algemeene mobilisatie te gelasten en daarna aan den oorlog deel te nemen. De staat van beleg, wegens den oorlogstoestand afgekondigd, stremde de politieke werkzaamheid en onderwierp die aan een gestreng onderzoek. De Armeniërs, van wie men niet geloofde, dat ze de snoodheid zoo ver zouden drijven, om mettertijd het vaderland tijdens dezen wereldoorlog te verraden worden als de andere burgers bij het leger ingedeeld en van wapenen voorzien. De komitadzji's, die zich, totdat wij het oorlogspad betraden, kalm hielden, gingen zoodra de Russen onze grens overschreden en eenige plaateen van ons bezetten, van rust en trouw tot de revolutie over. In de derde maand van den oorlog overhandigde Arian, afgevaardigde van Wan en wali van dit wilajet, een memorandum, waarin de eischen der Armeniërs waren uiteengezet, die met de eischen tevoren ter kennis van de hooge Porte gebracht, volkomen klopten. Daarna deserteerden de in het leger ingelijfde Armeensche soldaten, die met de wapens de bergen in vluchtten en gendarmes zoomede de muzelmansche bevolking aanvielen.

Daarop heeft de keizerlijke regeering te Konstantinopol den patriarch en den tot het comité behoorenden afgevaardigden den ernst van den toestand blootgelegd en hun maatregelen aanbevolen om het gevaar te bezweren. De regeering wachtte nog anderhalve maand op den uitslag. Pas toen voor het leger de opstand van Wan en in den rug daarvan een tweede uitbrak, begonnen overal huiszoekingen, op de noodzakelijkheid waarvan de opperbevelhebber den vinger had gelegd. Men vond wapens, bommen en ontplofbare stoffen in Diarbekir, Oerfar, Kaisseri, Ismit, Ada Bazar, Badzje, Dink, Amazia, Sivas, Mezifoen, Trebizonde Sansoen, Arabkir, Maladia, Doertjoel, Kadjins, Broessa, Erzeroem, Erzindjan en andere plaatsen. Ze werden grootendeels in kloosters en kerken ontdekt. Pas, toen het als een paal boven water stond, dat het leger in flank en rug werd bedreigd, ging men om het leger te beschermen tot deportaties uit het oorlogsgebied over. Men kan niet zeggen, dat deze deportaties geregeld in het werk gingen, want de armen waren in het leger ingedeeld en de orde kon niet naar wensch in stand blijven, maar de centrale regeering zond verscheiden onderzoekscommissies uit, die allen, welke zich aan zulke aanrandingen schuldig maakten, voor den krijgsraad daagden. Degenen, van wie bewezen word dat ze zich aan wandaden waren te buiten gegaan, zijn tot de hardste straffen veroordeeld als dood en dwangarbeid. Aldus heeft de keizerlijke regeering haar taak vervuld. Elke regeering heeft het recht, zich te verdedigen tegen degenen, die met de wapens in de vuist daartegen opstaan.

Dit recht hebben wij zoo goed als Engeland en Frankrijk. Zouden de Engelschen die allerhande wreedheden tegen de Ieren hebben bedreven, zonder zich om het beschermen van de levens der kinderen en vrouwen te bekommeren, de laatste niet buiten het oorlogsgebied hebben gebracht, als er een revolutie ware uitgebroken en zich tot in de flanken en den rug van het strijdende leger zou hebben uitgebreid? De kinderen en vrouwen, die de Engelschen in de concentratiekampen van Transvaal lieten verhongeren en zoo verschrikkelijke gruwelen, die onder het voorwendsel van herstel van de orde werden gepleegd en het menschelijke geweten doorschokken, bewijzen onweerlegbaar, dat de Engelsche politiek zich allerminst door menschlievende overwegingen op een dwaalspoor laat brengen.

De steden Gaza en Jalfa werden om militaire redenen ontruimd. Onze vijanden, die daartoe den stoot gaven, hebben op grond dier ontruiming het verhaal van vervolgingen en wreedheden uitgebroed, die men zich onmogelijk kan voorstellen. Agentschappen en bladen werden niet moe, ons met alle mogelijke lasterpraat te bezwadderen, maar de waarheid kwam heel gauw aan het licht. De keizerlijke regeering had, deze ontruiming gelastend, alle noodige maatregelen ter bescherming genomen. Telegrammen, die na het onderzoek, door neutrale journalisten, notabelen, rabbijnen, consuls en bij de hooge Porte geakkrediteerde gezanten van onzijdige mogendheden ingesteld, werden afgestuurd, hebben al dien laster gelogenstraft.

Nogmaals kon worden aangetoond hoe ver de berichten onzer vijanden bezijden de waarheid zijn. Een telegram van het Reuter-bureau meldde onlangs dat de voormalige Amerikaansche gezant Morgenthau een reis naar Europa en vervolgens naar Egypte had ondernomen om maatregelen te treffen voor een Joodsche regeering in Palestina. Toen wij het bericht lazen, geloofden wij dat het verzinsel van het genoemde agentschap was, daar het streven naar verwezenlijking der gedachte van de vorming eener Joodsche regeering in een gedeelte van ons land, een groote ondankbaarheid der Joodsche wereld zou zijn. Duizenden Joden, die volgens de voorschriften van Ignatius door de Russen, die heden de bondgenooten der Engelschen zijn, uit hun landen verjaagd werden, vluchtten naar ons en zij vonden overal, waar zij aan eenigen druk bloot stonden, volle bescherming onzer regeering. Men kan zeggen dat de Ottomaansche regeering de eenige is, die den Joden in het volledig genot hunner burgerlijke en politieke rechten laat. De regeering der Vereenigde Staten heeft zoo juist door bemiddeling van het Zweedsche gezantschap officieel ten kennis van de Porto gebracht, dat Morgenthau zich geenszins om bovengenoemde redenen naar Europa en Egypte heeft begeven en dat zijn reis alleszins andere doeleinden heeft. Daardoor wordt officieel bevestigt dat wij ons in onze veronderstelling niet vergist hebben.

Engeland, dat precies weet, dat de joden in Duitschland en Oost-Hongarije geacht zijn, is het het met dit drijven slechts daarom te doen onze betrekkingen met onze bondgenooten te bederven. Ik koester de stellige hoop, dat de joodsche natie, die de dingen zorgvuldig pleegt te onderzoeken, niet in de val zal loopen, die daarvoor is gesteld.

Nu ik de lasteringen, waarmee we werden overstelpt, heb blootgelegd, wil ik spreken over de tot de staatshoofden der oorlogvoerenden gerichte nota van den paus wiens handelwijze door de hoogste menschelijke opvattingen werd ingegeven. De Paus stelt, om een eind aan den oorlog te maken twee grondslagen voor en wel algemeene ontwapening en beslechting van alle geschillen door een internationaal scheidgerecht.

Wij willen binnen onze grenzen al onze natuurlijke en zedelijke rijkdommen vrijelijk ontwikkelen om zoo ons eigen geluk en dat van hot heele menschdom te dienen. Derhalve kunnen wij verklaren, meer dan alle andere voorstanders van een dergelijk scheidsgerecht te zijn, dat bij het vellen van een vonnis op de gelijkheid der rechten van alle landen, zoo kleine en groote, zal steunen. Nopens de ontwapenings-kwestie zullen wij ons niet kanten tegen een oplossing die met onze levensbelangen te rijmen is. Onze antwoordnota, die op in gedachtewisseling met de bondgenooten vastgestelden bodem is samengesteld, werd den paus reeds gezonden.

De algemeene militaire toostend van het verbond is daarvoor gunstig en veiliger dan ooit.

Wat onzen politieken toestand aangaat, ongetwijfeld boezemt die heel wat meer vertrouwen in dan die onzer vijanden, die door revoluties en onlusten worden geteisterd. Onze oeconomische en financieele toestand is goed. Wanneer de vrede wordt gesloten, kan men nu nog niet zeggen, maar waarschijnlijk komt het eind in zicht. Wij wachten, voet bij stuk houdend en eendrachtig, de beslissende zege, die ons tot onafhankelijkheid en bevrijding leidt.

De grootvizier eindigde met de volgende woorden:

De groote les van den oorlog moet de overtuiging zijn, dat een moderne natie zich alleen door wetenschap en moraal kan verheffen. De sociale ervaring leert, dat de souvereiniteit van de wet alleen door de souvereiniteit van wetenschap en moraal kan worden gewaarborgd. De eigenlijke taak van den staat is het, een op wetten en rechtvaardigheid berusttende vrijheid te scheppen, maar dit kan enkel geschieden, als het overwicht van wetenschap en moraal gewaarborgd is. Te werken aan de steviging van de heerschappij der wet en tegelijk der moraal en daartoe acht te slaan op de aanwijzingen der wetenschap moet het heilige doel zijn van deze partij. Ik sluit hiermee het congres, terwijl ik u uit noodig. dit heilige doel hoog te houden.

Tijdens de zitting heeft het congres den nieuwen Poolschen staat zijn groeten en sympathie gezonden.

Colofon