Nieuwe Rotterdamsche Courant, 25 april 1914
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De hervormingsarbeid in Armenië

Onze Konstantinopolitaansche correspondent schrijft: In aansluiting van mijn brief van verleden week (zie N.R.Ct. 13/14 l.l.) nog de volgende bijzonderheden over den toestand op het oogenblik in Armenistan en in Koerdistan, waarheen, nadat onze regeering die aanwijzing door de mogendheden en die keus door de Porte heeft goedgekeurd, binnenkort ook een Nederlandsch (Indisch) bestuursambtenaar, de assistent L.C. Westenenk, zal vertrekken, om daar met den Noorschen overste Hoff de moeilijke en netelige betrekking van inspecteur-generaal (en werkelijk invoerder) der door de mogendheden voor die gewesten aan de Porte opgedrongen of van de Porte afgedwongen hervormingen te aanvaarden.

Men weet dat de koerdische bevolking dier streken, welke in vele buurtschappen de meerderheid vormt van dit, in waarheid voornamelijk ten bate der Armeniërs uitgewerkte hervormingsplan, niet weten wil, en dat ook een niet onaanzienlijk deel der Armeniërs er niet van gediend is, en er reeds nu oppositie tegen maakt, omdat deze Armeniërs "alles of niets" willen hebben, d.w.z. geheel bevrijd van het bestuur van Stamboel willen wezen, en in elke poging om dit nog wat op te schorten veeleer een gevaar voor hun nationaal streven zien, dan eene verbetering van hun lot.

Tot nu toe had men alleen de berichten uit Russische bron over de voorvallen in Wan en Bitlis en de beweging voor de onafhankelijkheid van Koerdistan, door Abdul Besak bei, de afstammeling der laatste Koerdische koningen – de Bedhir Chans – aangesticht. Deze berichten werden, natuurlijk, als gekleurd overeenkomstig de Russische wensen beschouwd. Trouwens de vice-consul van Rusland te Bitlis, bij wien de hoofden van de beweging gastvrij toevlucht en onthaal hadden gevonden, heeft reeds eene andere bestemming gekregen en... (en dit bederft wel een beetje den indruk van dit succes der Porte, in dezen door Engeland en Duitschland aangezet) is als consul naar Hamadan in Perzië verplaatst: eene ringelooring (?) waarover hij zich gewis wel niet zal beklagen.

Edoch, nu zijn hier ook de rapporten ingekomen van de consulaire ambtenaren van Engeland en Amerika van die gewesten.

Die rapporten, hoewel opgemaakt door personen die elkaar nauwelijks bij name kennen, stemmen in hoofdzaak volkomen overeen, en stellen op den voorgrond dat de beweging der Bedhir-Chan's een werkelijk zuiver seperatistisch karakter draagt, en geenszins tegen de Armeniërs is gericht. Armeno-Koerdistan of Koerdo-Armenistan (den Koerden is zelfs deze volgorde onverschillig) zal, in geval de beweging mocht slagen, een vorstendom, vazal van de Padisjah te Stamboel.., maar onder de rechtstreekse bescherming van den tsaar te St. Petersburg worden. Brieven, proclamaties en aanbevelingen, gevonden bij eenige der Koerdische stamhoofden, die na de mislukking van den aanslag tegen Bitlis gevangen zijn genomen, bewijzen dit onweerlegbaar, en evenzeer dat de Russische consulaire ambtenaren, niet alleen te Bitlis, maar overal in Armeno-Koerdistan daarvan op de hoogte waren, en de beweging goed gezind waren. De beweging bepaalt zich dan ook niet tot Bitlis en Wan, maar strekt zich ook over Erzeroem, Kharpoet, en een deel van Siwas uit.

De houding der Porte – of juister gezegd van de hoofdlieden van het Comité – blijft evenzeer dubbelzinning. Het is wel vast en zeker dat het Comité deze strubbelingen tegen de door de steeds meer en vinniger door hen gehate Ghinoer-bedillers opgedrongen hervormingen niet ongaarne zien. In den ministerraad stelde dan ook eergisteren Talaat bei, naast Enver bei de dictator in Turkije, in zijn hoedanigheid van minister van binnenlandsche zaken voor, de mogendheden er opmerkzaam op te maken dat het oogenblik voor de invoering van de hervormingen in de Oostelijke provinciën minder gunstig gekozen schijnt en haar alzoo aan te raden die voorlopig nog wat uit te stellen. De twee reeds aangewezen inspecteurs-generaal zouden voorhands te Konstantinopel aan de Porte kunnen blijven en daar met hem, Talaat, en zijn departement, alles voor de werkelijke instelling van een "alleszins geschikt en doeltreffend" bestuursstelsel voor die gewesten kunnen uitwerken.

Het schijnt dat dit voorstel niet alleen Ruslands sympathie en die van Frankrijk, maar ook die van Engeland – dat zich hierdoor nog meer in deze aangelegenheid tusschen St. Petersburg en Berlijn, die tot dusverre te zamen gingen, wil inschuiven – ontmoet, en dat Duitschland er eigenlijk (voor zoover het Armeno-Koerdistan betreft, waar het eigenlijk geen rechtstreekse belangen heeft) ook geen bezwaar tegen heeft, mits toch dadelijk de hervormingen in z.g. Klein-Armenië (Kilikië) worden ingevoerd, waar de (Duitsche) Bagdadspoorweg doorloopt, en war nu Italië en sinds een maand ook Oostenrijk-Hongarije zich "invloedssferen" willen verzekeren. Het zou op 't oogenblik hoofdzakelijk afhangen van de houding van het kabinet van St. James, wat er voorlopig verder in deze aangelegenheid zal geschieden. Het wil volstrekt niet dat Rusland zich in Armeno-Koerdistan vastzet; het wil evenmin dat Duitschland daar een invloed van beteekenis verkrijgt; wenscht echter geenszins een enkelen Engelsche soldaat of nog een enkele penning voor die gewesten op 't spel te zetten. De politieke gedragslijn van het Foreign Office komt alzoo daarop neer, er voor te waken dat Rusland en Duitschland in de Armenische aangelegenheden niet tezamen blijven gaan. Is zulks niet meer het geval dan zou het de leidende kringen in Londen waarschijnlijk wel het beste passen dat in Oostelijk Turkije maar eenvoudig de status quo bewaard bleef.

Intussen wordt er toch nu al reeds iets gedaan om daar wat meer zekerheid van bezit en leven voor een ieder te verkrijgen. Er wordt een werkelijk vertrouwbare en deugdelijke gendarmerie ingesteld. Ook voor het ophanden zijnde hervormingswerk is dit zeer toe te juichen. De instelling van een behoorlijke militaire macht om het door de bestuursambtenaren uitgevaardigde, verordende en voorgeschrevene kracht bij te zetten en te doen eerbiedigen is vooral in deze landen volstrekt noodzakelijk. In Albanië had de Albret het geen week kunne uithouden wanneer niet de Nederlandsche officieren alreeds in den korten tijd dat zij voor hem daar waren aangekomen een zoodanige macht aan gendarmerie hadden weten te verzamelen en genoegzaam te organiseren dat ze het gezag en den persoon van den nieuwe heerscher het volstrekt noodige aanzien en ontzag kon geven en dat zoonodig met kracht kon laten gelden.

Die opdracht hebben in de oostelijke provincies van Aziatisch Turkije, gelijk bekend, de daartoe uit het Fransche leger aangenomen officieren op zich genomen; zij staan onder de opperleiding van den generaal Bouman pasja (een Fransche Vlaming) die de opperinspecteur is van de Turksche gendarmerie. Elk der zeven Oostelijke provincies krijgt een eigen regiment gendarmerie met een totale sterkte van 18,000 man. De regimenten zullen worden gecommandeerd door voor die opdracht door Bouman pasja onder de bekwaamste kolonels van het Turksche leger uitgezochte hoofdofficieren, wien elk een Fransch offiecier als instructeur wordt toegevoegd. De zeven regimenten vormen twee brigades van vier en drie regimenten, aan het hoofd waarvan twee Franschen met generaalsrang (kolonels in Frankrijk) staan, die hunne bevelen en lastgevingen rechtstreeks ontvangen van den opperinspecteur Bouman pasja die zijn hoofdkwartier te Stamboel behoudt. Buitendien zal er nog een korps vliegende gendarmerie voor de zeven provinciën gevormd worden, waarvan de sterkte voorloopig op op 500 ruiters bepaald is. De gewone gendarmerie wordt verdeeld over 514 posten, er is er reeds aanvang gemaakt met het inrichten of het bouwen van van de wachthuizen en kazernes daarvoor. De 1,670,000 piasters (ruim 150,000 gulden) voor eerste inrichting van dit alles benoodigd, zijn ter beschikking van Bouman pasja gesteld, uit het eerste deel van de z.g. groote leening verleden week door Dajawid bei eindelijk te Parijs definitief afgesloten.

Rusland hoopt later op het gewenschte oogenblik op deze gendarmerie te kunnen rekenen. Evenzoo hoopt echter het Comité (en bijgevolg de regeering) de voor haar ongewenschte Europeesche hervormingen nog te kunnen ontwijken wanneer door die gendarmerie land en bevolking ook zonder die nieuwigheden (ten minste voor 't uiterlijk) rustig kunnen worden gehouden. Voor den Nederlandschen en Noorschen inspecteur-generaal zal – wanneer ze werkelijk ter plaatse zelf hun hervormingstaak zullen gaan invoeren – die politiemacht ongetwijfeld, zoo niet het voornaamste, dan toch zeker een der belangrijkste factoren zijn, welke tot het slagen er van zal kunnen en moeten bijdragen.

Colofon