Nieuwe Rotterdamsche Courant, 19 december 1922
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Bestaat er nog hoop voor de Armeniërs?

(Van onzen correspondent)

Lausanne, 16 december

In de overigens zoo bevredigende tweede bijeenkomst, die de subcommisie voor de minderheden gisteren gehouden heeft en waarin de Turken vrijwel ten aanzien van alle door de geallieerden opgestelde onderwerpen een principieele bereidwilligheid te kennen gaven in het vredesverdrag bepalingen van de gewenschte strekking te doen opnemen, verzetten zij zich tegen één punt: de oprichting van een nationaal tehuis voor het Armeensche volk. Eerst maakten zij zelfs bezwaar tegenover iedere verdere discussie van deze vraag ernstig bezwaar. Zij betoogden, dat Ismet pasja reeds in de voltallige vergadering der commissie duidelijk genoeg verklaard had, dat aan Turkije de vervulling van dezen wensch niet mogelijk is, en dat het onderwerp dus als afgedaan moest worden beschouwd. De voorzitter der subcommissie, de Italiaan Montagna, hield echter vol, dat de voltallige commissie de discussie geenszins als uitgeput en geëindigd heeft beschouwd, zoodat wel degelijk nog reden bestaat, ook in de subcommissie hierover van gedachten te wisselen. De Turken legden zich toen bij dezen wensch neder, zonder echter eenige hoop te geven, dat zij tot een oplossing in de door lord Curzon gewenschte richting zullen bereid blijken te zijn.

Het zou zeer te betreuren zijn, indien juist bij alle in de laatste dagen van Turksche zijde getoonde inschikkelijkheid deze bij de Armeensche kwestie zou ophouden. En toch bestaat er groot gevaar, dat de Armeniërs wederom, zooals al bij zoo menige politieke gebeurtenis na den oorlog, teleurgesteld zullen worden. Ja, het schijnt zelfs, alsof de hoofdwensch der Armeniërs reeds thans door de geallieerden prijs gegeven is en dat dezen, rekening houdende met de machtsverhoudingen, die na het Grieksche débacle in Klein-Azië zijn ontstaan, slechts nog trachten te redden, wat wellicht, ofschoon ook daarop weinig uitzicht schijnt te bestaan, nog te redden is.

Het Armeensche volk bestaat uit twee gedeelen: de Armeniërs van den Kaukasus en de Turksche Armeniërs. Vóór het uitbreken van den wereldoorlog leefden er ongeveer 1,500,000 Armeniërs (van Christelijken godsdienst) in Turksch-Armenië, 1,200,000 in Russisch Armenië. Verder waren er nog ruim 1,500,000 Armeniërs in aangrenzende gedeelten van de Armeensche districten in Azië, te Konstantinopel en in Europa. Van deze ruim vier millioen Armeniërs is ongeveer de helft sinds den oorlog gedood. "Vermoord door de Turken grootendeels, door de Russische bolsjewiki voor een ander deel", zeggen de te Lausanne aanwezige leden der (niet officieel erkende) Armeensche delegatie. "Gestorven door alle ellenden van den wereldoorlog, die de geheele bevolking van Klein-Azië, niet alleen die van Armenië belangrijk heeft verminderd", beweren de Turken. Het zij zoo! het is in ieder geval droevig genoeg vast te stellen dat in den loop van tien jaren twee millioen Armeniërs den dood gevonden hebben.

De twee millioen overblijvende Armeniërs bevinden zich nu in den volgenden toestand. Ruim een millioen Russische Armeniërs wonen in de Russische "Republiek Armenië", die in naam onafhankelijk is, doch geheel in de macht van Sovjet-Rusland staat, dat de Armeniërs gedwongen heeft het bolsjewistische regiem in te voeren. Bijna een millioen Turksche Armeniërs wonen in verschillende andere gebieden. Zoo zijn b.v. 200,000 deze Armeniërs naar hun Russische stamverwanten gevlucht en hebben in de bolsjewistische republiek Armenië een toevluchtsoord gevonden, 100,000 wonen in het Noordelijk Kaukasus-gebied, 100,000 in Griekenland, 100,000 in Fransch Syrië, 50,000 in Bulgarije, terwijl ongeveer 130,000 nog in het Turksch-Aziatische gebied gebleven zijn.

Het ideaal van alle Armeniërs, zoowel van die in Russische als van die in Turksch-Aziatisch gebied, was natuurlijk de vereeniging van hen allen in één geheel onafhankelijken staat. Zij zijn heel dikwijls gerechtigd geweest tot het vertrouwen, dat dit ideaal inderdaad zou worden vervuld. En juist daarom zou het des te smartelijker wezen, wanneer de vredesconferentie van Lausanne niets in deze richting zou verwezenlijken.

Tijdens den wereldoorlog hebben de grootste staatslieden der geallieerden herhaaldelijk aan het Armeensche volk de onafhankelijkheid en algeheele bevrijding van Turksch en Russisch gezag toegezegd. "Nooit mag Armenië meer onder het verderfelijke Turksche bewind geplaatst worden", verklaarde Lloyd George op 21 December 1917 in het Engelsche Lagerhuis. "De Fransche regeering is zich bewust, welke hulp de Armeniërs van Frankrijk verwachten, om in alle veiligheid de weldaden van vrede en vrijheid te kunnen genieten. Ik kan u verzekeren, dat Frankrijk het vertrouwen, dat gij in dit opzicht in ons stelt, beantwoorden zal", schreef Poincaré op 16 Februari 1919 aan den patriarch der Armeensche Katholieken in Cilicië. "Zeg aan de Armeniërs, dat ik hun zaak tot de mijne maak!", verklaarde de Italiaansche minister Orlando op 26 November 1918 in de Italiaansche Kamer, "ik zal deze belofte nakomen!"

Men behoefte zich dus niet verwonderen, dat in het vredesverdrag van Sèvres tusschen de geallieerden en Turkije de stichting van een onafhankelijke republiek Armenië besloten werd. Als gebied werd deze jonge rupubliek toegekend een gedeelte van het vroegere Rusland, waarvan de omvang nader zou worden vastgesteld tusschen Armenië, Georgië en Azerbeidzjan, en een gedeelte van het vroegere Turkije, waarvan de grenzen zouden worden vastgesteld door den president der Vereenigde Staten. Wilson heeft dit dan ook gedaan en bij uitspraak van 22 November 1920 aan de republiek Armenië belangrijke gedeelten toegekend van de oude Turksche districten Erzeroem, Van, Bitlis en Trebizonde met een totaal oppervlakte van 87,000 vierkante kilometers.

Zoo was de oplossing der Armeensche vraag dus geheel geschied overeenkomstig de idealen van het Armeensche volk zelf en de wenschen van vele honderdduizenden, die vooral in Amerika, Engeland en Frankrijk zich het lot der Armeniërs hadden aangetrokken. Helaas al dit moois bleef slechts papier! Want terwijl de jonge republiek Armenië met alle toewijding en intellect, die het volk eigen zijn, zich organiseerde, begonnen militaire aanvallen tegen haar van twee kanten: eenerzijds de roode legers uit Moskou, die Armenië tot een bolsjewistischen staat wilden maken, anderzijds van de troepen van Kemal pasja, die van een afstand van Turksch gebied aan Armenië niets wilde weten.

In dezen tijd van de eerste militaire bedreigingen van twee zijden tegen de onafhankelijkheid van Armenië kwam juist de eerste Volkenbondsvergadering te Genève bijeen. Toen was het, dat lord Robert Cecil en Henri La Fontaine hun ontroerend beroep deden om hulp voor Armenië, toen was het ook, dat Balfour namens den Volkenbondsraad de bekende rede hield, die den Volkenbond dezer dagen door de Turken nog zoo kwalijk werd genomen, waarbij hij, dood nuchter, vroeg, of men werkelijk meende, dat de Volkenbondsraad, die geen leger ter beschikking heeft, iets zou kunnen uitwerken met mooie woorden bij "bandieten" als Kemal pasja.

Na lange beraadslagingen, zoowel in het openbaar als in de toen nog gesloten commissievergaderingen, moest de Volkenbondsvergadering haar onmacht erkennen. Zij kon niets anders doen dan in een resolutie haar sympathie voor Armenië uitspreken en den Raad uitnoodigen, diligent te zijn, opdat de Armeniërs een eigen nationaal tehuis zouden krijgen, geheel onafhankelijk van Turkije. Deze wensch is later door de tweede en derde Volkenbondsvergaderingen in September 1921 en September 1922 herhaald, zonder dat eenige hulp metterdaad er uit voortgevloeid is.

De Armeniërs konden den strijd tegen twee vijandige machten niet volhouden. De jonge Armeensche Republiek, die het eerst op Russisch gebied tot eenige organisatie gekomen was, moest zich aan de wil van Moskou onderwerpen en een bolsjewistich stelsel aannemen. De Armeniërs uit de Turksche gedeelten vluchtten naar andere landen, voorzoover zij niet door Kemal pasja's leger gedood of gedeporteerd werden. Zoo is de toestand dus op het oogenblik: er bestaat een kleine bolsjewistische Republiek Armenië op Russisch gebied: de Turksche Armeniërs zijn naar alle windrichtingen verspreid.

Hoe is nu de positie der delegaties ten aanzien van het Armeensche vraagstuk op de vredesconferentie te Lausanne? De Armeensche delegatie, die hier niet officieel erkend is, ofschoon zij denzelfden heer Aharonian aan het hoofd heeft, die te Sèvres officieel het vredesverdrag namens Armenië onderteekende, heeft in een zeer helder en goed gedocumenteerd boek de volgende wenschen geuit: òf een uitbreiding van de bestaande Sowjetrepubliek Armenië, met een groot gedeelte der Turksche districten, die volgens president Wilson's beslissing tot Armenië behooren, opdat de 900,000 thans overal verspreide Turksche Armeniërs zich daar zullen kunnen vestigen, òf de stichting van een nationaal tehuis voor de Armeniërs in die door president Wilson Armenië toegekende gedeelten van Turkije en wel geheel onafhankelijk van Turkije. De vervulling van dezen laatsten wensch zou dus, voorlopig althans, het bestaan van twee Armenië's ten gevolge hebben: een Russisch en een Turksch.

Het schijnt wel uitgesloten, dat deze wenschen der Armeensche delegatie, hoezeer in overeenstemming met de verklaringen der geallieerde staatslieden tijdens en kort na den oorlog, met de bepalingen van het vredesverdrag van Sèvres, met verschillende beslissingen van den Oppersten Raad en met de resoluties van de Volkenbondsvergaderingen in 1920, 1921 en 1922, vervuld zullen worden! Het is de droeve werkelijkhied dit te moeten vaststellen.

De Turken willen in het geheel niets bijzonders voor Armenië doen. De Armeniërs kunnen terugkeeren, zij zulllen vriendschappelijk ontvangen worden, de Turken zullen het verleden vergeten! Dit was Ismet pasja's eerste antwoord. Na zijn zwenking van Donderdag kan men nog eraan toevoegen: zij zullen voortaan onder de bescherming van den Volkenbond staan, voor zooverre betreft de naleving hunner minderheidsrechten.

De geallieerden trachten daarentegen de Turken te bewegen, den Armeniërs althans een nationaal tehuis op Turksch grondgebied af te staan, waar zij gezamenlijk kunnen wonen. Van geheele onafhankelijkheid van Turkije heeft lord Curzon geen woord gezegd, zelfs niet van uitgebreide autonomie. Men neemt dan ook in Engelschen kring hier aan, dat de geallieerden reeds tevreden zouden zijn, indien den Armeniërs slechts de mogelijkheid geboden werd onder Turksch gezag, doch onder Volkenbondsbescherming, op ouden vaderlandschen bodem bijeen te zijn. Het is te hopen, dat Ismet pasja aan dit verlangen, dat wel het minimum is, waarmede de geallieerden na alle zooveel verder gaande beloften aan de Armeniërs genoegen kunnen nemen, op den duur geen onverzettelijken tegenstand zal bieden.

Colofon