Nieuwe Rotterdamsche Courant, 18 december 1914
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Tweede Kamer - Buitenlandsche Zaken
[onderdeel van een langer verslag]

Ook over het oorlogsgevaar, dat nog steeds niet geheel geweken is, heeft de minister van buitenlandsche zaken enkele woorden gesproken. "Hoe langer de oorlog duurt, hoe meer de mogelijkheid van incidenten zich zal voordoen." Gelukkig hebben de ons omringende landen de positie die Nederland inneemt, zeer goed begrepen, en hebben de regeeringen (wij citeeren nog steeds den minister) ons te kennen gegeven, dat zij die positie waardeeren. Ook een groot deel van de buitenlandsche pers beoordeelt ons op objectieve wijze, terwijl onze eigen pers, met enkele uitzonderingen, steeds "verantwoordelijkheidszin" toonde en volgens den minister "den grootsten lof" verdient. Voor misplaatste partijdigheid heeft zij zich gehoed. Terecht. "Onze onzijdigheid" – aldus de heer Loudon – "is zeer zeker geen uitdrukking van onverschilligheid, van flauwhartigheid; zij smoort ook niet de individueele sympathiën; houdt alleen de meening in toom." Onzijdigheid – voegen wij eraan toe – is (wat enkelen daarvan ook mogen zeggen) een bij uitstek mannelijke houding; zij is onvereenigbaar met groote emotionaliteit en suggestibiliteit, die volgens sommigen speciaal het kenmerk van de zwakkere sekse zijn. Maar dit is woordenspel, waarin wij ons niet verder willen begeven, ook al om geen gevoeligheid van eenigerlei aard te wekken. Hoofdzaak is, dat de regeering het hooge belang dier onzijdigheid (voor haar in de gegeven omstandigheden synoniem met "zelfstandigheid") meer dan één onzer beseft. "De Nederlandsche regeering – aldus eindigde minister Loudon onder applaus zijn rede – zal zoowel nu als in de toekomst die zelfstandigheid steeds met vastberadenheid tot uiting weten te brengen."

Colofon