Nieuwe Rotterdamsche Courant, 18 oktober 1915
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De Armeensche gruwelen

Men deelt ons het volgende mede:

Vrienden van de Deutsche Orient-Mission in Duitschland hebben van de zendelingen in Noordwest-Perzië eenige brieven ontvangen, waaraan het volgende is ontleend:

We hebben zeer droevige tijdingen over Salmast, Khoi, Tabris en Sandsjboelak ontvangen. Ik kan niet alles beschrijven; 't zal u 't meest interesseeren over Oermia te hooren. Juist gisteren heb ik van de Duitsch-Amerikaanschen dominee Pf. een langen brief uit Oermia ontvangen. Hij schrijft dd. 22 Juli '15: "Vijftienduizend menschen hebben bescherming gevonden in de zendingsgebouwen, waar de zendelingen hen met brood verzorgden, ieder één plat brood per dag... Ziekten braken uit. Het sterftecijfer steeg tot 50 per dag. In de Christelijke dorpen doodden de Koerden bijna iederen man, dien zij levend in handen konden krijgen. Zal ik schrijven, hoe men boven aan de hoofdstraat voor de stadspoort een galg heeft opgericht en vele onschuldige Syriërs heeft opgehangen en andere, die men eerst langen tijd in de gevangenis had opgesloten, doodgeschoten werden? Ik zal van die gruwelen maar zwijgen... God heeft alles in Zijn boek geschreven... Behalve vele andere Armenische soldaten hebben ze er één hier voor de poort doodgeschoten en dicht achter het huis van mej. Friedemann begraven, maar zoo slordig, dat de handen weer uit de aarde kwamen; één hand lag geheel open. Ik heb toen een schop genomen, evenals R. en A., en we hebben een heuvel van aarde er over heen geworpen. De tuin van mej. Friedemann, het bezit van de Deutsche Orient-Mission, is door de Mohammedanen verwoest en gedeeltelijk in brand gestoken. (Een ander bericht meldt, dat ook de Duitsche kerk in Dilgoesja verwoest is)... Op het oogenblik hebben we 55 kinderen. Vanwege de grooten nood zullen we er 60 plaatsen. Verder kunnen we niet gaan."

In een anderen brief heet het: "De nieuwste tijdingen melden dat in de laatste vijf maanden bij de zendelingen 4000 Syriërs en 100 Armeniërs alleen aan ziekte gestorven zijn. Alle dorpen in den omtrek zijn geplunderd en in de asch gelegd, behalve een drietal. Twintigduizend christenen zijn in Oermia en den omtrek neergehouwen. Vele kerken zijn verwoest en verbrand, evenals vele huizen in de stad..."

Uit weer een anderen brief het volgende: "In Haftewan en Salmast zijn alleen uit de pompbronnen en de cisternen 850 lijken gehaald en dat wel zonder hoofd. Waarom? De commandeerende officier had op ieder christenhoofd een som gelds gesteld. In Haftewan alleen zijn meer dan vijfhonderd vrouwen en meisjes aan de Koerden in Sandsjboelak gezonden. Wat het lot van deze ongelukkigen is, kan men zich voorstellen. In Diliman werden scharen van christenen in de gevangenis geworpen om den Islam aan te nemen. De mannen werden besneden. Gülparksjin, het rijkste dorp van het Oermia-gebied, is met de grond gelijk gemaakt. De mannen zijn gedood, de schoone vrouwen en meisjes weggevoerd. Evenzoo in Babaroe. Met honderden zijn de vrouwen in de diepe rivier gesprongen, toen zij zagen dat hoevele van hunne zusters op klaren dag midden op den weg door de benden verkracht werden. Zoo ook in Miandoub in het Soeldoesdistrict. De troepen, die van Sandsjboelak doortrokken, droegen het hoofd van een consul op een spies naar Maragha... In den tuin van den Roomsche zendingpost te Batalisjangöl zijn veertig Syriërs opgehangen aan de daar opgerichte galg. De kloosterzusters waren naar buiten gekomen en hadden om genade gesmeekt. Tevergeefs. In Salmast en Kossowa zijn haar stations verwoest; de zusters zijn gevlucht. Maragha is verwoest: in Tabris is het niet zoo erg... De zendelingen hebben een ontzettend ernstigen tijd beleefd. Alle vluchtelingen tezamen uit Targawar, Wan, Azerbeidsjan worden op 300,000 geschat. In Etsjmiadzin is een comité gevormd om voor de armen te zorgen. Ieder persoon krijgt per dag een half pond brood zonder iets meer. Dagelijks sterven er honderden... Vrouwen zijn tot elf dagen onafgebroken op bloote, gewonde voeten voortgeloopen over gebaande en ongebaande wegen, kinderen en zuigelingen met zich sleepend. Een ooggetuige schrijft o.a.: "Op den weg vond ik vier kleine kinderen; de moeder zat op den grond met den rug tegen een muur geleund. De kinderen liepen op me toe, met holle oogen, en de handen uitstrekkend, brood, brood roepend. Toen ik dichter bij de moeder kwam, zag ik dat zij stervende was..."

---------

De Times heeft een bericht uit St. Petersburg dd. Vrijdag, behelzende dat de (Perzische) troepen onder Duitsche aanvoering uit Kermandsjah zijn teruggetrokken, uit vrees voor de Russische troepenafdeeling te Kaswin en wegens gevechten met nomadenstammen, die den Turken vijandig zijn.

Tot zoover het times-telegram. Het treft, dat Kermandsjah een van de plaatsen is, die ook genoemd worden in den brief over de Armenische gruwelen, dien men in ditzelfde nr. vindt. In het commentaar van de Times bij het Peterburgsche telegram wordt nader verduidelijkt, wat met die "Duitsche aanvoering" bedoeld is. Volgens de Times n.l. zou de Duitsche consul te Kermandsjah het militaire gezag oefenen over de stad en provincie van dien naam. Verder belet een deel van het Perzische parlement, "omgekocht met Duitsch goud", de pogingen van het Perzische gouvernement om de neutraliteit te handhaven.

---------

In het Mansion House te Londen is – naar men weet – dezer dagen een vergadering gehouden over de Armenische gruwelen. De lord-mayor van de City resideerde. Er werd een brief voorgelezen van Balfour, die het betreurde niet zelf tegenwoordig te kunnen zijn. Hij betoogde echter, dat de Turken geheel van den steun der duitschers afhangen en dat deze laatsten – indien zij dat wilden – ongetwijfeld aan de gruwelen een eind zouden kunnen maken. De voornaamste rede werd uitgesproken door lord Bryce, die constateerde "dat de gruwelen niet alleen veel erger waren dan wat in België was geschied, doch dan welke gruwelen ook, van welke de historie sedert de tijd van Tamarlan gewaagde." Bryce wist niet, op welke manier Engeland iets kan doen om de gruwelen te doen ophouden. Enkel de Duitsche regeering kan de moorden stuiten, indien het wilde. Daarom was het noodig om aan de zaken de grootst-mogelijke publiciteit te geven, ten einde in de wereld een krachtige openbare meening te scheppen, welke dan Duitschland zou kunnen dwingen, in te grijpen en tegen de Turken te zeggen, dat er een eind aan moet komen.

De bisschop van Oxford herinnerde er aan, dat in deze zaak op het Engelsche volk een zeer bijzondere verantwoordelijkheid rust. Indien indertijd Engeland het aan Rusland had belet (1878), zou dat land zijn missie hebben kunnen vervullen van de bevrijder der christenvolken in Turkije uit de Turksche slavernij te weren. De geheele geschiedenis van Zuid-Europa zou dan anders hebben kunne wezen.

Sir E. Pears gaf nog als zijn overtuiging te kennen, dat de Duitschers achter deze gruwelen zaten.

Colofon