Nieuwe Rotterdamsche Courant, 13 april 1928
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Armenië

De belangstelling voor het lot der haardlooze Armeniërs – De Sowjet-republiek Armenië, het Armeensche "tehuis" – De tegenwoordige staat van het Armeensche volk – Het comité-Nansen.

(Van onzen Balkancorrespondent.)  4 April.

In het afdeelingsverslag der Eerste kamer over de begrooting van het departement van buitenlandsche zaken voor dit jaar hebben eenige leden er op aangedrongen, dat ook Nederland steun zal verleenen in de kosten van de verplaatsing van de Armeensche vluchtelingen naar de Sowjet-republiek Armenië in Trans-kaukasië.

Die belangstelling ook in Nederland, en van zoo vooraanstaande zijde, getoond in het lot van het noodlijdende Armeensche volk geeft mij aanleiding hier omtrent den toestand op het oogenblik van de duizenden rondzwervende Armeniërs, en over den tegenwoordigen onafhankelijken nationalen Armeenschen staat wat meer mede te deelen.

Op het gebied der vereenigde Sowjet-Republieken worden 114 verschillende talen gesproken, waarvan ongeveer 55 pct. Russische dialecten of met het Russisch verwant zijn. De ontzaglijke uitgestrektheid van het gebied van Sowjet-Rusland behoedt er voor, dat die menigte talen ergens een Babylonische spraakverwarring veroorzaakt.

Een der voornaamste eigenaardigheden van de Sowjet-Unie is de volkomen onverschilligheid ten opzichte van elk nationalistisch streven, en dientengevolge de eerbied voor de rechten van minderheden, welke in het tzaristisch Rusland ondenkbaar was, en die thans den samenhang van die vele volken en rassen beter verzekert dan de oude staatspolitiek, welke niet nalaten kon te trachten van al de "allogenen" "rechtgeloovige Russen" te maken. "Rechtgeloovig" niet alleen op godsdienstig gebied, maar vooral in de erkenning van een op de Russische taal berustende cultuur.

Wat men ook het bolsjewistische regime kan en moet verwijten, hoe talrijk ook de misslagen mogen zijn, welke het begaat, vaststaat, dat tenminste 45 pct. van de "niet-Russen" het er dankbaar voor zijn niet meer belemmerd te worden in het gebruik van hun eigen taal, en evenzeer nu geheel te worden vrijgelaten in hunne geloofsaangelegenheden.

De vijandigheid der bolsjewiki tegenover de kerk treft namelijk alleen de oude Russische staatskerk en in bepaalde gevallen ook de Roomsch-Katholieke kerk. Mohammedanen, Boeddhisten, en de talrijke Oostersche riten hebben zich in geenen deele te beklagen.

Dat is ook een der voorname redenen, waarom de Armeniërs zich onder de bescherming van de Sowjet-Unie in hun eigene republiek (ongeveer anderhalf maal zoo groot als Nederland) om de stad Erivan, noordelijk van de Araras, vereenigd hebben.

Op het oogenblik is de sowjet-republiek armenië – Haïasdan, zooals de naam in het Armeensch luidt – het eenige staatsrechtelijke veilige "tehuis" voor het Armeensche volk. In dat oude stamland zijn ze verre in de meerderheid; want ze zijn nu al meer dan 800,000 zielen sterk tegen nog geen 200,00 Mohammedaanschen Tataren en eenige Kaukasische bergstammen. Daar hebben ze zich geschaard om hun geestelijk opperhoofd, den "Katholikos" in het eeuwenoude klooster bij Etsjmiadjin, in de bergen een 40 K.M. ten zuiden van Erivan, die volkomen wordt vrijgelaten zijn "kerk" te besturen zooals hij het geboden acht, mits hij zich maar niet in de bestuursaangelegenheden des lands mengt, welke uitsluitend aan de door het geheele volk gekozen sowjet zijn opgedragen.

Buiten de eigenlijke Armeensche republiek wonen nog ruim 700,000 Armeniërs in de beide andere Transkaukasische buurstaten Georgië en Azerbeidisjan; terwijl ook in Perzië en Syrië (in het zoogenaamde voormalige Klein-Armenië om Siz, den zetel van den Katholikos voor die Zuid-Armeniërs) zich reeds van eeuwen her Armenische vestigingen van grootere of kleinere beteekenis bevinden.

Toen wilson's plan een grooten Armenische staat te vormen uit de door Armenië bewoonde gewesten van het Ottomaansche en het Russische rijk niet te verwezenlijken bleek, de Armeniërs, gehoor gevende aan allerlei, voor het meerendeel geenzins onbaatzuchtige inblazingen van buiten, met de Turken en de Koerden een strijd aanvingen, waarin zij onvermijdelijk het onderspit moesten delven, en waardoor zij hun verblijf onmogelijk maakten, zoodat ze in massa naar de nabijgelegen landen, met name Griekenland, Bulgarije, Syrië, Mesopotamië, en de welgestelden ook naar Frankrijk uitweken, waar men ze echter al spoedig moe begon te worden, en trachtte ze weer naar elders af te schuiven, vormde Fritjof Nansen, de gedelegeerde van den Volkenbond voor het onderbrengen van de rondzwervenden en vaderlandsloozen, het plan om de groote massa van het Armeensche volk te vestigen in hun stamland onder de Ararat. Hij moest echter dat plan, na lange vergeefse pogingen opgeven, omdat de banken in Amerika en in Engeland, welke het noodige geld daarvoor zouden verstrekken, dat slechts tegen een rente van tenminste 12 pct. willen geven, hetgeen onaannemelijk was.

Het kwam er voor Nansen, die, terecht, het ongelukkig lot van het armenische volk hoofdzakelijk daaraan toeschrijft, dat het zich gedurende den wereldoorlog door de Westersche mogendheden heeft laten misbruiken tegen de omwonende Aziatische volken, voornamelijk op aan de Armeniërs die naar het Fransche mandaatsgebied in Syrië de wijk hadden genomen, naar hun stamland terug te voeren. Nansen kent de lijdensgeschiedenis van het Armeensche volk nauwkeurig. Hij weet, dat de Engelschen, de Franschen, de Amerikanen in de Armeniërs voornamelijk agenten voor den afzet van hun fabrikaten in Voor-Azië zien: dat zij derhalve de Armeniërs immer weer de bevrijding van het een of andere werkelijke of vermeende juk beloofden, op die wijze wantrouwen zaaiden tusschen de Armeniërs en hun medebewoners van ander ras, om ze in de steek te laten zoodra hun dat raadzaam of voordeeligger voorkwam.

Toen Frankrijk, na het einde van den wereldoorlog het voornemen koesterde zich Adana in Cilicië als toegangspoort tot Voor-Azië te verzekeren, stak het tienduizenden van de Armeniërs, die uit Groot- naar Klein-Armenië waren afgezakt, nadat de Russen, die hun eerst tegen de Turken en de Koerden hadden in het veld gestuurd waren afgetrokken, in Fransche uniformen en zond ze in het vuur tegen Moestafa Kemal pasja, die Turkije van de vreemde militaire overheerschingen ging bevrijden. Men beloofde de Armeniërs voor dien aan Frankrijk te bewijzen grooten dienst een zelfstandig Groot-Armenisch rijk.

Het gevolg daarvan was, dat het "Nationalistische" bewind te Angora met alle Armeniërs streng in het gericht trad. En toen de Franschen, in het begin van 1920 door de Kemalisten uit Adana werden verdreven, lieten zij hun Armenischen bondgenooten aan hun lot over. Evenzoo hebben de Franschen de naar Syrië uitgeweken Armeniërs bewapend en tegen de opstandige Droezen en Arabieren in het veld gezonden, natuurlijk weer met het gevolg dat nu het heele Armenische volk ook daar gehaat wordt en het leven moeilijk wordt gemaakt.

Nansen zag dat alles, en begreep dat er, ter werkelijke redding en doeltreffende hulpe uit den nood nog maar een afdoend middel is, de resten van het Armenische volk – nog ongeveer 4 millioen op den heelen aardbol – te zamen te brengen in een eigen staat.

Voorhands is dat – zooals reeds gemeld – mislukt; maar opgegeven is dat plan geenszins. Van Sowjet-zijde te Moskou en in Transkaukasië zelve, wordt de verwezenlijking er van alleszins begunstigd; en nu het daarvoor gunstige seizoen weer aanvangt, zal de overbrenging van de noodlijdende Armenische huisgezinnen in Griekenland en in Bulgarije, alsmede van die in Syrië en in Mesopotamië naar de Erivansche weer worden hervat, voor zoover daarvoor de vereischte geldmiddelen ter beschikking van het Nansen-comité bij den Volkenbond zullen worden gesteld.

De toonaangevende kringen onder het Armeensche volk zijn het er nu wel over eens, dat de Armeniër in Azië thuis behoort, en alleen daar kan gedijen.

Dat er te Londen, te Parijs en te New York een aantal schatrijke bankiers en kooplieden, en andere welgestelde Armeniërs als sinds velen geslachten zijn gevestigd, dat er evenzoo op Java eenige honderden Armenische families al sinds meer dan een eeuw een gelukkig en voorspoedig bestaan voeren, is geen bewijs daartegen. Hun aantal is tegenover dat der boeren, der handwerkslieden, der kleine luiden gering. Zulke "Pioniers" zijn voor hun eigen volk echter dan alleen nuttig, wanneer zij de verbinding met het eigen vader- (of) stamland in stand houden.

Zulks doet op eenige weinige uitzonderingen na, die Armenische emigratie naar de Westersche groote steden niet, of nagenoeg niet; zulks in treffende tegenstelling met die naar Indië (Nederlandsch en Engelsch) welke steeds in de loop der jaren en telkens weer blijken heeft gegeven mee te leven met het deerniswaardige lot der rasgenooten in den Levant en tot leniging daarvan te willen bijdragen. De naar het Westen verhuisde Armeniërs hebben zich verwesterd, en koesteren over het algemeen nog altijd het verkeerde denkbeeld, dat door hun Westersche handelsvrienden en financieele omgeving wordt voorgestaan, dat door het scheppen van een Europeesch-Amerikaansch geciviliceerd Armenië, een nuttige voorpost tegen het Oosten zou kunnen worden gekregen.

De Sowjet-republiek aan den voet van de Ararat is heden, na zooveel mislukte pogingen elders, de eenige nationale kern van het Armenische volk, de eenige plaats op den aardbol waar het zonder strijd en zonder in botsing te komen met de omgeving kan leven, bestaan en gedijen.

De nog altijd rondzwervende vaderlands- en feitelijk daklooze Armeniërs te helpen zich daar te vestigen en een nieuw bestaan te scheppen, waarvoor alle voorwaarden ruimschoots voorhanden zijn, mits de noodige geldmiddelen daartoe aan het Nansen-comitë worden verstrekt, is zeker menschlievend, nuttig en dankbaar werk.

Colofon