Nieuwsblad van het Noorden, 19 november 1929
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De Armeensche Christenen

Gisteravond sprak mejuffrouw Cato de Witte, secretaresse van de "Action Chrétienne en Oriënt" – het ondersteunings- en evangelisatiewerk onder de Armeensche Christenen in Syrië – in de Fransche kerk, die veel te klein bleek te zijn om al de belangstellenden te bevatten, over bovengenoemd onderwerp.

PROF. DE ZWAAN leidde – na het openingsgebed – de spreekster in. De Armeniërs zijn een volk van onzen – den Indo-Germaanschen – stam. Er is een parallel te trekken tusschen het Joodsche en het Armeensche volk. De Armeniërs hebben eeuwen van ellende en verdrukking gekend. Meer dan eens stonden ze aan den rand van uitroeiing, zooals op 't oogenblik ook weer. Ze zijn Christenen, die door hun geloof zijn samengehouden. Reeds in 451 n. Chr. moesten ze de eerste geloofsvervolging doorstaan. De koning der Perzen wilde hen uitroeien, omdat ze geen vuuraanbidders waren.

Van 850-1050 vormen ze een zelfstandig Rijk in Klein-Azië. Het was een land van hooge cultuur. Na 1050 gaat het licht onder in Klein-Azië door vele vijandelijke invallen. Na 1075 komt het Turksche Rijk en dan begint pas recht de tweede lijdensperiode. Later komt het volksbewustzijn weer naar boven en in de 19e eeuw is de volksontwikkeling sterk toegenomen. Dan, na 1860, vinden er groote Christenmoorden plaats op last van den sultan. Europa zag het lijdelijk aan. In 1908 komen de Jong-Turken. Men hoopte op betere tijden, maar in 1918-1919 heeft datzelfde jong-Turkije de Armeniërs uitgemoord.

In 1908 waren er 2½ millioen Armeniërs. Als er nu nog een half millioen over is gebleven, is 't al veel.

Spr. eindigde met het vertellen van een Armeensch sprookje: Ergens in een diep, zonnig dal is een vogel, die telkens: sagak roept.. Gij kunt de vogel niet zien hem en gij vindt nooit; het is de ziel van een moeder. Zij had een zoon, die als eerste over een nieuwe brug liep en volgens de gebruiken van dien tijd gedood werd om in de brug ingemetseld te worden. Zijn moeder roept nog altijd om hem: sagak, sagak. Dit is de toestand van Armenië. Niet één moeder, maar honderdduizenden roepen om hun zonen.

Daarna nam MEJUFFROUW DE WITTE het woord. In 1914 was door Duitsche en Russische bemoeiing een verdrag tot stand gekomen, waarbij de Armeniërs dezelfde rechten kregen als Koerden en Turken. Enkele maanden later brak de wereldoorlog uit. De Armeniërs vochten naast de Turken voor hun gemeenschappelijk vaderland, hoewel ze zoodoende moesten strijden tegen de in Rusland wonende Armeniërs.

Plotseling hoort men hoe een klein groepje van het Armeensche volk in een waan een vrijheidsoorlog wil voeren. 18 Turken worden gedood. Het persbericht spreekt van 18.000. Enver bey, de minister, grijpt de gelegenheid om deze Christenen te vernietigen, met beide handen aan. Het Armeensche volk moet verplaatst worden. In Mei 1915 neemt deze verplaatsing naar de steppen van Syrië en Noord Mesopotamië, een aanvang. In groepen van 6000 – arbeiders, doktoren, professoren, winkeliers – werden ze voortgedreven naar plekken in de bergen, waar ieder zijn eigen graf moest delven alvorens men hen afmaakte. Vrouwen, die vermomd als Koerdische boerinnen aan het bloedbad wisten te ontkomen, vertelden hoe ze zagen, dat 300 kinderen met petroleum overgoten en daarna verbrand werden. Vrouwen werden in harems gesleept, anderen werden geheel ontkleed voortgedreven door woeste Arabieren. Velen van die ongelukkigen maakten zelf een einde aan hun lijden.

Karavanen uitgehongerde skeletten trokken langs de wegen om tenslotte de dood te vinden in de woestijn.

Na het sluiten van den vrede in 1919 ademden de Armeniërs op. Frankrijk en Engeland bezetten Turksche gebieden. Toen de geallieerden weer wegtrokken, had echter Kemal Pasja de handen vrij. Honderdduizenden van het Armeensche volk vluchtten naar het Fransche mandaatsgebied Syrië. Geweldige vluchtelingenkampen zijn daar opgericht. De barakken die men er heeft gebouwd, zijn allertreurigst. Men vraagt zich af hoe hier soms 30.000 menschen bijeen kunnen wonen. Het geloof in Christus heeft hen staande gehouden. Er zijn Armeensche kinderen, die Nederlandsche pleegouders hebben, d.w.z. dat zij op kosten van onze landgenooten worden onderhouden. Velen wachten echter nog op hulp.

Het lijden heeft het Armeensche volk gelouterd. Een Armeniër zeide: Als de oplossing van het raadsel van ons lijden is, dat wij de Mohammedanen tot het Christendom willen brengen, dan is ons lijden nog niet groot genoeg geweest.

Met lichtbeelden van de steden Damascus, Beiroet en van de vluchtelingenkampen werd het gesprokene op duidelijke wijze geïllustreerd.

Ds. van Dijk sprak het slotgebed uit.

Heden zou mejuffrouw de Witte in het Wijkgebouw der Ned. Herv. Gemeente in de O. Boteringestraat Armeensche handwerken verkoopen.

Colofon