Nieuwe Leidsche Courant, 3 december 1926
Bron: Regionaal Archief Leiden

Voor de Armeniërs

5 december: hún dag!

Een opwekking, om toch den 5en December niet te vergeten, klinkt in deze, van St. Nicolaasgerucht volle dagen, bijna als een dwaasheid. Toch is zij ernstig bedoeld en niet overbodig. Die datum is toch voor hen, die zich het zware leed onzer Armenische broeders en zusters hebben aangetrokken bestemd om te zijn: de gouden regeldag. Wat dat is? Wel een vorm van weldadigheidsbetoon zóó eenvoudig en zóó doelmatig, dat gij geen oogenblik aarzelen zult, hem toe te passen. De organisatie der Christelijke hulpactie in Armenië, die haar hoofdkwartier heeft in den Elzas (vanwaar onlangs Dr. Paul Berron naar ons land kwam, om over den weedom van Armenië te spreken) en ook in ons land een afdeeling heeft, vraagt u, om op Zondag 5 December a.s. eens een heel eenvoudigen middagmaaltijd te nemen. Het daarop bespaarde bedrag zendt u aan Mej. Cato de Witte, de Clerckstraat 35, Amsterdam (Postgiro No. 18757) en gij hebt gedaan, "wat gij wilt, dat u de menschen zouden doen", als gij in soortgelijke beproevingen kwaamt, als waaronder de Armeniërs nu al zoovele jaren gebukt gaan. Wanneer nu iemand zich onttrekt – en wie zou het durven na St. Nicolaasavond! – komt er een prachtige som bijeen uit het land, dat er weet van heeft, te moeten strijden en lijden voor het plekje onder de zon, dat God het ter bewoning aanwees!

Wij zullen nu niet andermaal den klaagzang aanheffen over den lijdensweg der Armenische Christenen, al zou, na de jongste beproeving der aardbeving, daartoe alle aanleiding zijn. Geen volk heeft zóó veel en zóó fel geleden tengevolge van het feit, dat het het Kruis boven de Halve Maan tot zijn levens- en stervensgrond verkoos. Wel verre van na den groote oorlog uit hun grooten nood en dood te zijn bevrijd, hebben de Armeniërs na 1918, ofschoon het Turksche Rijk ineenstortte, te lijden gehad van hun niets en niemand ontziende vijanden. En met beschaamdheid moet vastgesteld worden, dat ook Europa, dat ook zelfs de Volkenbond niet den moed en kracht hebben gehad, om dit wreed verdrukte volk los te rukken uit den greep der Turken. Zoo zijn de als een hert gejaagde duizenden tenslotte gevlucht naar Rusland, naar Griekenland, naar den Balkan, waar zij nu in ellendigen kampen en van alles beroofd, hun donkere dagen doorbrengen, uitziende, snakkende naar hulp, naar voeding en kleeding en deksel, naar geestelijk voedsel niet het minst.

Zullen wij, in het van God gezegend Nederland, hun die hulp en troost durven te weigeren? Maak dat met uzelf uit en: denk om 5 december! Omringd van zooveel weldaden, als zij moeten missen; omtuind met zooveel bescherming, als hun ontbreekt; bevoorrecht met zooveel geestelijke zegeningen, als zij derven, zullen wij gaarne geven, door ons iets te ontzeggen. Zoo geeft men het best.

Dr. Berron, die elk jaar eenige maanden onder de Armeniërs werkt, en die ons mondeling en schriftelijk onder den diepen indruk gebracht heeft van het leed, dat nu nog duizenden ouden van dagen, duizenden zieken, duizenden ondervoede kinderen en duizenden weezen te dragen hebben, heeft ons gevraagd: och, herinner uw mede-christenen nog eens aan 5 December. Wij doen het gaarne en van harte.

Men behoeft slechts te lezen, wat Clemenceau in 1918 beloofd heeft als President-Minister van Frankrijk; wat Millerand in 1920 beloofd heeft, wat Lloyd George in 1917 beloofd heeft, en wat Balfour in 1918 beloofd heeft, om, wetende, dat van al het beloofde voor Armenië niets terecht gekomen is te zeggen: welnu, Nederland heeft niets beloofd, maar het zal iets doen, spoedig en uit een in ontferming bewogen hart!

Vergeet 5 December niet!

Een keer iets minder op tafel, om Jezus' wil!

H.J. v.d. Munnik
's Gravenhage, 1e Braamstraat 16

Colofon