De Nieuwe Koerier, 25 september 1896
Bron: Gemeente Archief Roermond

De moorden te Constantinopel

Het is nu ruim drie weken geleden, dat het christelijk Europa huiverde bij het lezen der dagbladen, die het verhaal gaven van de slachtingen, plaats gehad in Constantinopel ten gevolge van eene Armenische samenzwering tegen de Turksche Bank.

Deze moorden, vooraf beraamd en uitgevoerd onder de oogen van de vertegenwoordigers der groote Mogendheden, waren echter niets nieuws; meer dan eens hebben wij treurig onze blikken gewend naar het Oosten, waar millioenen christenen onder het Turksche juk zuchten en waar de Turksche sabel, die den armen bewoners altijd boven het hoofd hangt, op geregelde tijden neervalt. Dan wordt een vreeselijk bloedbad aangericht en zijn wij er zeker van, dat hetgeen gisteren plaats had wederom morgen kan gebeuren.

En toch komt weer alles na het indienen van eenige diplomatieke nota's binnen een paar weken tot kalmte en rust; de zaken nemen haren gewonen loop, de onverschilligheid volgt op de verontwaardiging.

Nu de wanhoopskreten onze ooren niet meer bereiken, meenen we, dat alles afgedaan is en dat er voor ons christelijk ons beschaafd en tot aan de tanden gewapend Europa geen "Armenische kwestie" meer bestaat.

Maar ons katholiek hart bloedt en is met rechtmatigen toorn vervult, als het denkt, dat daar, onder dien schoonen Oosterschen hemel, in deze stad, die door de golven van den nooit volprezen Bosphorus omspoeld wordt, in deze stad, die het grootste historische verleden bezit van alle steden der wereld, die nu een wereldhandel drijft met alle volken van Europa, – dat in die stad duizenden en nogmaals duizenden christenen zuchten en sterven en alle hoop op hunne geloofsgenooten hebben laten varen, onmachtig tegenover hunne verdrukkers en zich op dit oogenblik met beklemd hart afvragend: "Wanneer zal het volgende bloedbad worden aangericht" terwijl honderden in de kerkers van Stamboel zuchten en elkaar toefluisteren: "Wanneer zullen we moeten sterven".

Omdat er ongelukkigerwijze geene christelijke politiek meer bestaat, is de christetelijke pers gedwongen hare machtige stem te verheffen tegen de gruweldaden, die in het verre Oosten gebeuren en zoolang te blijven roepenm tot er een einde gemaakt wordt aan zooveel ellendem aan zooveel onmenschelijkheid,

Wij wenschen hier eenige aanhalingen te doen uit een brief, die geschreven werd door een christen bewoner van Constantinopel, die er jaren lang heeft vertoefd. Na den eersten aanslag op de Turksche Bank te hebben verhaald, gaat de schrijver verder:

"Uit alle straatjes en achterbuurten der groote stad kwamen nu de grootste schurken en al het grauw en janhagel, dat er zonder vaste woonplaats verblijf houdt, opdoemen..."

"Zij waren gewapend met knotsen, bijlen, messen, dolken en stokken en wierpen zich als wilde beesten op alle Armeniërs, die gemakkelijk aan hunne kleederdracht te erkennen zijn, en sloegen hen als dieren neer."

"Wanneer de christenen gevallen waren, schonden zij nog de lijken, ontrukten hun alle kostbaarheden en doorstaken hen met dolken en messen. Indien een Armeniër, die vlug ter been was, ontvluchtte, werd hij door de soldaten neergeschoten."

"Een jonge Armeniër wordt neergeslagen en door een officier van de marine en een agent van politie met degenstooten afgemaakt, terwijl de Turken het lijk over de straat slepen, komen anderen het nog slaan en verminken."

"Dit schouwspel en nog meer dergelijke werden onder mijne oogen afgespeeld en bij duizenden herhaald in al de straten van Galata en in de Armenische wijken van Stamboel."

"Wij moeten niet vergeten, dat deze moorden plaats hadden met toestemming der politie en volgens een bepaald plan; zij riep het gemeene volk op om de ongelukkige Armeniërs te vermoorden en kwam nergens tusschenbeide."

"Gedurende vier en twintig uren hadden de gemeenste schurken de vrijheid te plunderen, te rooven en te slachten naar hartelust. Toen de slachting afgeloopen was, gebood de politie aan de beulen om zich te verwijderen en zij verdwenen in alle richtingen met hun buit."

"De Joden hebben hierbij een treurige rol gespeeld. In Haskenij, eene voorstad van Constantinopel, wezen zij den plunderaars en moordenaars de huizen der Armeniërs aan en de zonen van Israël waren dan dadelijk bij de hand om aan spotprijzen den buit op te koopen: een piano werd verkocht voor 9 francs enz."...

Het is opmerkelijk, dat de beulen, te midden van dezen chaos, juist hebben opgehouden met hunne messen, knotsen en revolvers te werken, toen het tijd was, om de Turksche Regeering niet in wezenlijke ongelegenheid te brengen.

Want het is een onloochenbaar feit, dat de Regeering de hand gehad heeft in deze slachtingen op groote schaal. Te midden van de verwoesting was er geen enkel soldaat, om de slachtoffers te beschermen, maar in zijn paleis te IJldiz liep de sultan geen gevaar, daar hij zorgvuldig beschermd werd door vijf en dertig bataillons.

De diplomatie geeft soms vreemde dingen te aanschouwen. Frankrijk, Duitschland en Rusland, die zoo gevreesd worden door den vreesachtigen en sukkelenden Abdoel-Hamid, laten het christenbloed bij stroomen vloeien en tevergeefs wacht men van deze mogendheden een beslissenden stap af.

Welnu, bij dergelijke ellende en onwaardigheid trede de Pers op en vervulle haren duren plicht!

Colofon