Nieuw Israelietisch Weekblad, 25 juli 1902
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Armenische Christen en Rumeensche Joden

Een woord aan het Congres te Brussel "pro Armenia".

Uit de bovenste verdieping van een brandend huis dringen luide hulproepen der met den vuurdood worstelende bewoners. Eenige philanthropen, die juist voorbijgaan, zien bedroefd naar het ontzettend schouwspel en geven als hun meening te kennen, dat het goed en nuttig zou zijn, die menschen, die in levensgevaar verkeeren, uit hun verschrikkelijken toestand te redden. In beginsel komen zij in de zienswijze overeen, dat het recht treurig is, indien menschen verbranden. Men mag menschen niet laten verbranden, maar moet trachten, hen te helpen. In het brandend huis bevinden zich Christenen en Joden. De aanwezige philantrophen gaven, het moet ter hunner eere worden gereleveerd, als hun gevoelen te kennen, dat het een gebod der menschelijkheid is niet alleen Christenen, maar ook Joden van een verschrikkelijken vuurdood te redden, en na een langdurig debat, waarin door verschillende redenaars de besliste afkeuring over het ontstaan van een gevaarlijken brand was uitgesproken, besloten de van innige deelneming bezielde menschenvrienden voor de bewoners van het brandend huis, een comité te vormen, dat de taak kreeg, een adres aan den stedelijken brandweer te richten, dat er doeltreffende maatregelen zouden worden genomen, om de zich in gevaar bevindende personen, zonder onderscheid van nationaliteit en confessie, te redden.

Welk resultaat het adres der menschenvrienden had, of de lieden uit het brandend huis gered werden, of men alleen de Christenen had gered en niet de Joden, of omgekeerd, daarvan hebben wij nog geen bericht gekregen.

De geschiedenis evenwel is niet waar, maar toch kan die zich zoo voor onze oogen afgespeeld hebben. In Armenië brandt het, en de Christenen aldaar zijn in gevaar, te verstikken. Turksche benden trekken plunderend, moordend en brandstichtend het land door; de Armeniërs worden bedreigd aan lichaam en leven; zij zijn het offer der brutaalste afpersingen en vreeselijkste verdrukkingen. Men vreest een herhaling dezer vreeselijke gruwelen, die zich daar in 1895-96 hebben vertoond. Op die gronden wordt 17 en 18 Juli in Brussel een congres gehouden, om de openbare opmerkzaamheid op de toestanden in Rumenië te vestigen en de Europeesche regeeringen uit te noodigen, invloed te oefenen op Turkije en diplomatique agenten naar de bedreigde streken te zenden. In een schitterend artikel "Pro Armenia" maakt mevrouw barones Bertha von Suttner voor dit congres ook in Weenen propaganda en noodigt de philanthropen van Oostenrijk uit, hun stem te verheffen ten gunste van het streven van het congres.

Met oprechte sympathie zal het appel der gevierde schrijfster overal ontvangen worden, en ieder menschenvriend zal vervuld zijn van den wensch, dat de actie van het congres succes zal hebben.

Brandt het echter slechts in Armenië en zijn slechts de Armenische Christenen van den schrik der vervolging, door de vernietiging bedreigd.

In Armenië is men nu eerst bevreesd voor de gruweldaden en in Rumenië worden zij tegen de Joden aldaar bereids jaren bedreven. De politieke en huishoudelijke dood wordt den Rumeenschen Joden bereid; er wordt een formeele uitroeiings-politiek tegen de Joden bedreven, en die wordt niet enkel daardoor in scène gezet, dat men den Joden berooft van de mogelijkheid te verdienen en van hun bezittingen, maar er worden letterlijk talrijke Joden in de rivieren verdronken.

In art. 44 van het verdrag te Berlijn, hetwelk R. zijn nationale onafhankelijk toekende, werd als conditie voor de onafhankelijkheid de bepaling vastgesteld, gelijke burgerlijke en politieke reohten voor alle burgers zonder onderscheid van confessie. Doordien de mogendheden, die 't verdrag sloten, de tot bescherming der Joden gemaakte bepaling openlijk zien schenden, zonder tegen de daad van onmenschelijkheid te protesteeren, worden zij medeplichtig aan het Rumeensche Cannibalisme. Zou de vergadering te Brussel ter bescherming der Armenische Christenen ook niet denken, dat de Joodsche offers van Rumeensche onmenschelijkheid tenminste even zooveel behoefte aan besoherming en hulp hebben? Is dat, wat in Rumenië geschiedt niet een ironie op alle civilisatie, en mag een verlichte tijd zulke gruwelen zonder tegenspraak laten? De oogen der onuitsprekelijk mishandelden zijn gevestigd op het edelmoedig congres te Brussel met de dringende bede wegens den verschrikkelijken toestand der Armeniërs de ongelukkige Joden, die in Rumenië bedreigd worden met ondergang, niet te vergeten. Europa heeft den plicht aan de Rumeensche gruwelen evenzeer paal en perk te stellen, als het den plicht heeft, een herhaling der Armenische gruwelen te voorkomen. Van standpunt der humaniteit moeten beiden worden geholpen, de Armenische Christenen zoowel als Rumeensche Joden. Van het standpunt van internationaal recht is de aanspraak der laatsten door het B.V. uitdrukkelijk erkend, en het is de taak van het congres te Brussel, daarop te wijzen. Zijn actie was onvolmaakt en eenzijdig, indien het zijn stem slechts voor de Armenische Christenen, en ook niet voor de Rumeensche Joden zou verheffen.

Colofon