Nieuwe Amersfoortsche Courant, 12 mei 1909
Bron: Archief Eemland

De gruwelen in Klein-Azië

Eerst nu verschijnen er in de bladen uitvoeriger berichten over de Christenmoorden in Adana en de omliggende streek. Het moorden begon reeds Woensdag den veertienden April, juist een dag na het uitbreken der tegen-revolutie in Constantinopel (toevallig?); maar daar de telegrammen aan strenge censuur onderworpen waren, kwam men in Europa geen bijzonderheden te weten. Nu vinden wij in eenige bladen brieven, die medegegeven zijn met engelsche schepen en direct over Malta in Europa zijn aangekomen. Aan zulk een brief uit Adana, geschreven aan de Parijsche New-York Herald, ontleenen wij het volgende over de schrikwekkende gebeurtenissen.

Het is volstrekt onmogelijk – zoo begint de briefschrijver – om de afschuwelijkheden te overdrijven en de bijzonderheden die ik schrijf zijn ontegenzeggenlijk waar. Ik heb dit drama met eigen ogen aanschouwd. Ik was in Adana toen den veertienden April het bloedbad begon en hield met den Wali en den militairen gouverneur verblijf in het gouvernementshuis. Het moorden begon Woensdagmorgen vroeg met een aanval der Turken op de uitgebreide en rijke Armenische bazars. Ik bevond mij omstreeks elf uur in het gouvernements-postkantoor, toen daar vijf Armeniërs kwamen binnenvallen, die om bescherming van hun leven smeekten. Ze werden echter op de voet gevolgd door de menigte, die ze daar onder mijn oogen vermoordde en verminkte, zonder dat ik noch de Wali er iets aan konden doen. Ook wij waren in gevaar, maar we wisten te ontkomen.

Toen begon het straatgevecht waarin de Armeniërs trachtten hun wijk te verdedigen. Het duurde twee dagen lang en aan het eind was bijna de heele stad verwoest en een groot deel verbrand. Vrijdagmorgen was het uit. De stad leek op een slagveld: overal zag ik lijken liggen. Niet alleen de mannen kwamen om, ook vrouwen en kinderen, op wie de soldaten vuurden, wanneer zij trachtten hier of daar een schuilplaats te vinden. De gesneuvelde Armeniërs werden niet begraven; hun lijken lagen ten prooi aan de honden.

Majoor Doughty Wylie, de Britsche vice-consul in mersina, kwam naar Adana en trachtte een einde te maken aan het moorden. Hij begaf zich te midden van het gevecht, waar de Turksche officieren niet durfden te komen; maar hij werd gewond en moest verder binnen blijven. Zijn echtgenoote stichtte terstond een hospitaal, dat in een oogwenk overvol was en waarin zich de meest hartverscheurende tooneelen afspeelden. Daar was b.v. een kind van nog geen achttien maanden, met beide beentjes en een arm doorschoten met Mauserkogels. Het was het eenige overgebleven lid van een heel gezin. Maar ook ver buiten Adana op het platteland had zich het bloedbad uitgestrekt. Tal van dorpen waren geheel verwoest. In het nabije Adana gelegen Tarsus hadden de Turken in één nacht schier alle Christenen omgebracht. Zij waren ook de schoone Armenische kerk binnengevallen en hadden daar alles stukgeslagen: altaars, vensters, lampen, geen kerkboek was gespaard. Toen hadden de woestelingen den brand in het gebouw gestoken, maar 't was van steen en zoo deugdelijk gebouwd, dat het weerstand bood aan het vuur. Tot zoover deze berichtgever.

Een andere correspondent van hetzelfde blad schrijft, dat den 24e April de Christenen te Mersina (aan zee gelegen) niet veilig waren, niettegenstaande de aanwezigheid der vreemde oorlogsschepen. Op Zaterdag 22 April waren er soldaten uit Constantinopel aangekomen, die den Sultan niet meer erkenden, maar bevelen van Enver Bey hadden om de orde te herstellen. Niettemin gingen ze naar Adana, waar inmiddels alles rustig was, en begonnen daar een opnieuw een bloedbad tegen de Armeniërs. Ze staken de enkele aan Armeniërs toebehoorende gebouwen die nog overeind stonden, in brand en doodden de Armeniërs, die ze nog vonden. Een schoolgebouw, ingericht voor ziekenhuis en waarin bovendien een groot aantal Armeniërs een schuilplaats hadden gevonden (alles bijeen waren er 2000 menschen in), werd in brand gestoken en allen kwamen jammerlijk om in de vlammen. Vluchtten ze naar buiten, dan schoten de Turken hen dood. "Adana is nu een verdoemde stad" – aldus de briefschrijver – geen aardbeving had het zoo volmaakt kunnen vernietigen als de menschen hebben gedaan. Het aantal dooden is niet te begrooten. Denk niet dat ik overdrijf; 't is onmogelijk den toestand sterker te kleuren dan hij werkelijk is. Ik zend perstelegrammen, maar die zullen wel in verzachten vorm aankomen. We hebben hier behoeften aan geld om de duizenden te voederen, die van honger sterven; we hebben kleeren noodig om hun naaktheid te bedekken en instrumenten en verplegingsartikelen om hun wonden te heelen. Maar bovenal hebben we meer oorlogsschepen noodig en een protest der mogendheden om een einde te maken aan deze gruwelen. Al wie kan verlaat deze vervloekte streek.

Ziedaar wat geloofwaardige correspondenten berichten over de gruwelen. Welk een zware taak voor de Jong-Turken, om hier de orde te herstellen en de schuldigen te straffen!

Colofon