Maas- en Roerbode, 26 oktober 1895
Bron: Gemeente Archief Roermond

De gruwelen in Armenië

Reeds vaak hebben wij onze lezers bezig gehouden met de gruwelen, waaraan de Armeniërs in Turkije bloot staan. 't Volgende geeft een nog al helder inzicht in den toestand.

Hoe de Armenische gevangenen in Konstantinopel door de Turken mishandeld worden, kan blijken uit een onderhoud dat de correspondent van de Daily Chronicle gehad heeft met een der slachtoffers van het Turksche fanatisme. De correspondent kwam door een toeval in kennis met een Armeniër, die enkele dagen geleden uit de gevangenis was ontslagen. De man zag er slecht uit, bleek en mager. Toen de correspondent hem dit zeide, was zijn antwoord: "Gij hadt mij een paar dagen geleden moeten zien, toen ik pas uit de gevangenis kwam. Nu ben ik veel beter."

"Hoe lang zijt gij in de gevangenis geweest?"

"Zeven en dertig dagen."

"Waarom werd gij in hechtenis genomen?"

"De politie was van meening, dat ik iets wist omtrent verdachte personen."

"Kent gij die menschen?"

"Gelukkig niet, want als ik ze gekend had, zou ik zeker gedwongen zijn geworden, alles van hen te vertellen."

"Wat bedoelt ge?"

"Men martelde mij, achtentwintig dagen lang, elken dag, somtijds twee of drie malen per dag!"

"Vertel mij nu eens, dag voor dag, wat er met u gebeurd is."

"Wel, dat is eene lange geschiedenis; en ik zou dat alles het liefst vergeten. Maar daar gij de moeite genomen hebt hier te komen, zal ik het u vertellen."

"Toen ik in de gevangenis gebracht werd was daar een effendi, die mij zegde, dat hij wilde weten wie A. B. C. en D. waren. Ik antwoordde, dat ik die personen niet kende. Hij schold mij voor een leugenaar, en zeide, dat hij wel een middel zou weten te vinden om mij aan 't spreken te brengen. Toen werd ik een paar trappen afgebracht en in een kleine cel opgesloten, waar het stikdonker was. De bewaarder droeg een lantaarn."

"Hoe klein was die cel?"

De Armeniër wees in een hoek van de kamer een ruimte aan van ongeveer vijf voet in het vierkant.

"Zoo klein. De muren waren geheel bedekt met uitstekende nagels, zoodat ik er niet tegen kon leunen."

"Was er geen venster?"

"Neen, alleen een opening van ongeveer drie duim grootte, in de nabijheid van de zoldering en eene noodzakelijke opening in den vloer. Die laatste was steeds geopend en de stank was nu en dan onhoudbaar."

"Wat gebeurde er, toen gij in die donkere kere cel werd gebracht?"

"De bewaarder ging heen en sloot de deur toe; het duurde langen tijd voor hij terugkeerde, ten minste het kwam mij zoo voor, door de duisternis. Toen hij de deur weer opende, had hij een pak in zijne hand, dat hij op den grond wierp. Ik hoorde het gekletter van ijzer.

"De man beval mij mijn kleeren en ook mijn hemd uit te doen. Ik deed het. Toen moest ik mijne beide handen uitstrekken, met de palmen tegen elkander. Uit het pak haalde hij een ijzeren band met een schroef en een gat in elk einde. Dien deed hij over mijne polsen en schroefde hem aan, doch niet sterk."

"Hebt gij geen tegenstand geboden?"

"Wat zou dat gegeven hebben? De man zou anderen hebben om hem te helpen. Toen nam hij een ijzeren band van drie duim wijdte, met kettingen voorzien, en deed die om mijn middel; dien band schroefde hij vast aan en beval mij toen te gaan zitten."

"Op een stoel?"

"Op den grond. Een zetel was er niet in de cel. Toen deed hij mij nog een ijzeren band om de beenen, onder de knieën, en een er boven, en een houten blok tusschen mijne knieën. Die banden schroefde hij zoo vast aan, dat naar ik dacht, mijne beenen zouden breken. En eindelijk deed hij mij nog een band van een duim dikte om den hals."

"De man zat op zijn hurken naast mij en vroeg: Wel, hoe gevoelt gij u? Rahatmi? (Voelt ge u goed?) Ik stamelde: Aman Aman! (dank u wel !); waarom behandelt gij mij zoo? – O, zeide hij dat is nog niets. Ge zult zien, wat er nog gebeurt. als ge ons niet wilt vertellen wie die kerels zijn."

"Ik zwoer hem, dat ik hen niet kende, maar dat gaf niets. Hij wachtte een beetje en toen begon hij de schroeven aan te draaien, de een na de ander, met korte tusschenpoozen; en hij zeide mij telkens, dat ik spreken zou, want hij zou voortgaan, totdat ik het deed. Ik leed vreeselijke pijnen en schreeuwde het uit, maar hij ging kalm voort met het aandraaien van de schroeven. Hij rookte er een paar cigaretten bij, en ging eindelijk heen, mij alleen in de duisternis achterlatend."

"Hoe lang bleeft ge indien toestand?"

"Dat kan ik niet zeggen. Het was me alsof er uren waren voorbijgaan, vóór hij terugkwam. Maar later bedacht ik, dat het niet zoo lang kon wezen, of ik zou dood geweest zijn. Ik denk, dat hij den effendi ging meedeelen, dat ik niets wilde bekennen."

"Toen hij terugkwam was ik zeer zwak. Ik kon zelfs niet spreken, toen hij mij opnieuw de vragen stelde. Hij had een kruik water meegebracht en wat brood, twee dunne sneden soldatenbrood. Dat was mijn dagelijksch voedsel. Hij gaf mij eerst wat water en deed toen de ijzeren banden los. Ik kon niet opstaan en meende te zullen sterven. Doch het is wonderlijk, wat een mensch verdragen kan."

"En op die wijze werdt gij mishandeld, acht en twintig dagen achtereen?"

"Ja, mijnheer op sommige dagen zelfs twee- of driemalen. De man wilde mij doen spreken en ik zou alles verteld hebben, als ik ook maar het minste had geweten. Toen kwam een ander, die het eens zou probeeren. En toen werden zij kwaad en sloegen mij op het hoofd met stukken ijzer die zij tusschen de vingers hadden."

"Ik riep maar: "Om Gods wil, slaat mij dood en verlost mij van deze ellende. Doch dat was hunne bedoeling niet. Zij wilden weten, waar de bedoelde personen waren heengegaan. Ik hoorde dat zij iemand achter de ooren geslagen hadden den, tot hij dood was. Daarom sloegen zij mij op het hoofd. Een anderen keer sloeg een man mij met een lederen riem; waarin een stuk lood genaaid was, op de punten der vingers zoolang, tot het bloed onder de nagels wegliep."

"Hoe dikwijls werdt gij uit de cel gehaald?"

"Drie of viermaal werd ik voor den effendi gebracht, die mij vragen stelde. Ik zeide al wat ik wist, doch hij wilde mij niet gelooven. Toen riep hij de mannen om mij weg te brengen en de schroeven vast aan te draaien."

"De effendi wist dus, hoe gij werd behandeld?"

"Zeker wist hij het. Hij schold mij voor stijfkop en ezel, en zeide, dat hij de waarheid er wel uit zou halen."

"Hebt gij ook andere gevangenen gezien zien?"

"Nooit. Dikwijls hoorde ik echter het geluid van slaan en vloeken; doch ik zag niemand dan den effendi en de bewaarders."

"Gij hebt mij medegedeeld, dat gij zeven en dertig dagen in de gevangenis geweest zijt, en dat gij gedurende acht en twintig dagen dagelijks gepijnigd werdt. Wat gebeurde er de laatste negen dagen?"

"Niets. Ik bleef den geheelen dag alleen in de donkere cel. De bewaarder, die door mijn bloeder was omgekocht, vertelde mij dat de effendi mij zou laten gaan, als de wonden en de litteekens van de pijniging wat genezen waren. Hij gaf mij olie om mij daarmede te wrijven, en liet nu en dan zijn lantaarn bij mij achter. Het was geen slecht man – tenminste niet zoo slecht als de anderen."

De wijze waarop de Armeniër dit alles meedeelde, toonde dat hij de zuivere waarheid sprak, zegt de correspondent. En nu de gevangenissen vol Armeniërs zitten, kan dit verhaal een denkbeeld geven van wat er thans in de duisternis van Konstantinopel plaats grijpt.

't Wordt meer dan tijd, dat de goevernementen de ernstigste maatregelen nemen.

Colofon