Maas- en Roerbode, 22 februari 1896
Bron: Gemeente Archief Roermond

De gruwelen in Armenië

Aan De Tijd werd plaatsing verzocht voor volgende vertaling van een schrijven, door Mgr. Azarian, Patriarch der Katholieke Armeniërs, gericht aan de redactie van het weekblad Les Missions Catholiques te Lyon.

Ik verzoek u een kleine ruimte in uwe kolommen voor de smartkreten mijner suffragaan-Bisschoppen, wier diocesen door een ramp, die in de geschiedenis zonder voorbeeld is, op zóó wreede wijze werden geteisterd.

De vreeslijke byzonderheden zijn u, ten deele althans, bekend. In minder dan drie maanden hebben het vuur en het zwaard geheele provinciën verwoest, overal puinhoopen en jammer achterlatende.

De rampvolle onheilen, welke den bodem van Anatolië met Armenisch bloed gedrenkt hebben, maakten ook onder de Katholieken een groot aantal slachtoffers en martelaren voor het geloof. Ofschoon onze landgenooten, de schismatieke Gregorianen, nog meer te lijden hebben gehad, hebben evenwel brand en plundering de katholieke missiën niet gespaard. Dit feit is daarom te treuriger, wijl de Turksche overheid tot heden tegen de houding der Katholieke Armeniërs geen enkele grief kon inbrengen. De bewonderenswaardige naastenliefde der onzen heeft duizenden schismatieke Armeniërs, welke zich door den wreedaardigsten dood bedreigd zagen, het leven gered, en hoewel de betoonde meuschlievendheid hun meermalen op zware offers is te staan gekomen, hebben de Katholieken geen berouw over een handelwijze, die den waarlijk christelijken geest, waardoor zij bezield zijn, helder deed uitschijnen.

Wat het verlies van hun goederen aangaat, hebben de Katholieke Armeniërs geheel en al het lot van hun landgenooten, de Gregorianen, gedeeld.

Ternauwernood is het drie jaar geleden dat een vreeslijke aardbeving aan den zetel van het patriarchaat te Constantinopel ontzaglijke schade toebracht, en thans komt een nog vreeslijker onheil bijna al de provinciën van ons patriarchaat verwoesten en als ware het onder puinhoopen bedelven. Gods wil zij geloofd!

Twaalf van mijn suffragaan-bisdommen zijn door de jongste rampen geteisterd (Trebizonde, Erzeroem, Musch, Diarbekar, Charpoet, Malatie, Sivas, Cesaraea, Adana, Mardina, Merasch en Aleppo). Veel huizen en winkels van geloovigen zijn geplunderd en grootendeels verbrand; kerken en kapellen zijn verwoest; residenties van Bisschoppen, pastoriën en scholen zijn leeggestolen, sommige door de vlammen verslonden. Meer dan 40.000 Katholieke Armeniërs, die in den bittersten nood verkeeren, zijn geheel ten laste van mijn suffragaan-Bisschoppen, wier smart en verslagenheid ik u niet beschrijven kan.

De verwoesting strekt zich uit eenerzijds tot de grenzen van Rusland en Perzië, anderzijds tot de oevers van de Middellandsche Zee. Wat al jammeren, o mijn God! En nog is de tegenwoordige toestand niet van dien aard dat wij een spoedig einde van onzen rampspoed mogen verwachten.

Ondanks al de vreeslijke bijzonderheden, reeds te mijner kennis gebracht, ken ik nog niet den juisten omvang der door de missiën geleden schade in de bisdommen Diarbekar en Mardina, evenmin als die van onze arme beproefde missiën van Oerfa en Biredijk. Bijna elke post kondigt nog een nieuw onheil aan. Bovendien mag het als karakteristieke en treurige bijzonderheid gelden: latere berichten toonen bijna altijd aan dat de aanvankelijk opgegeven cijfers aangaande de toegebrachte schade beneden de werkelijkheid waren.

Colofon