Middelburgsche Courant, 12 juli 1899
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Voordrachten over Armenië

Minas Tschéraz zal nu heden avond te 's-Gravenhage optreden, waar hem thans zeker wel geen enkele moeilijkheid in den weg gelegd zal worden. Wat hij te Amsterdam gezegd heeft, droeg alle blijken van gematigdheid en bevatte eigenlijk niets, wat wij niet reeds lang wisten.

In verband nu met zjjn optreden in de residentie, schrijft de redactie van Het Vad. het volgende juiste woord, dat ook wel in wijder kring mag gehoord worden:

Zou de regeering nog meenen, na kennis genomen te hebben van het verslag der vergadering, waarin de heer Minas Tschéraz te Amsterdam is opgetreden, dat zij wel heeft gedaan met de politie tegenover dezen vreemdeling en anderen zonder bepaalde duidelijke instructies te laten? Deze geheele vergadering heeft het karakter gedragen van een protestmeeting tegen onze regeering en tevens tegen de vredesconferentie. Het had er soms iets van, of de Armeniërs maar een voorwendsel waren.

Dit had kunnen vermeden worden. Wanneer men gezorgd had, dat hier aan Minas Tschéraz geen stroobreed ware in den weg gelegd, maar dat hij rustig zijn lezing had kunnen houden; wanneer men er voor gewaakt had, dat andere Armeniërs en Jong-Turken niet onhebbelijk behandeld werden, hun faits et gestes zouden veel minder de aandacht hebben getrokken en deze gansche Amsterdamsche demonstratie had niet plaats gehad. Of het braveeren van Turksche lichtgeraaktheid en het uitvaren tegen een vorst, wiens vertegenwoordigers de gasten onzer regeering zijn, het werk der vredesconferentie in de waagschaal kon stellen, wenschen wij in 't midden te laten. Maar wij vragen, zoo dit gevreesd wordt, of het er niet alles van heeft, dat door onverstand of onvoorzichtigheid dit optreden is uitgelokt?

Dat groot de verontwaardiging is geweest over de bemoeilijking van hen, die hier wenschen te spreken van hun verdrukte broederen, billijken wij ten volle. Het is ons bekend dat er onder onze meest kalme en meest gematigde landgenooten zijn geweest, die bijna ziedend van ergernis waren over de kleingeestige en plaagzieke politiemaatregelen, zoo geheel en al met onze vrijzinnige traditie in strijd. Dat men nu heeft willen toonen, dat het vrije woord hier niet aan banden mag worden gelegd, juichen wij toe.

Maar één wenk zouden wij toch willen geven. Laat men ook hier den tolk der ongelukkige Armeniërs gaan hooren, maar laat men het doen uit oprechte belangstelling in het lot der arme verdrukten, een belangstelling, die, waar noodig en waar mogelijk, bereid is zich in daden te uiten. Laat niet de overhand hebben de wensch om èn de Regeering èn de vredesconferentie te ergeren. Men mag het werk der conferentie zoo hoog of zoo laag aanslaan als men wil, dit is ontwijfelbaar zeker, dat zij niets zou tot stand brengen, als quaesties, gelijk de Armenische, de Jong-Turksche, de Finsche – waarom niet straks de Iersche, de Noord-Sleeswijksche, de Atjehsche? – aan haar aandacht waren onderworpen. Het was onmogelijk van haar te vergen, dat zij zich zou moeten bezighouden met vraagstukken, van hoe uitnemend belang en hoe ingrijpenden aard ook, die uit den aard der zaak buiten den streng afgebakenden kring van haar werkzaamheden liggen. En wat men ons nu komt vertellen van het lijden der Armeniërs, daarvoor is op dit oogenblik geen redres te vinden. Nieuw is het niet: in alle talen der aarde, in de vrije pers van alle landen, in vergaderingen van alle vrije volken zijn dezelfde dingen honderd- en honderdmaal gezegd, en niemand kan dienaangaande onwetendheid voorwenden. Waarom het nu het oogenblik is te toornen tegen een diplomatie, die de gruwelen liet begaan, terwijl men in gebreke blijft; aan te wijzen wat tot stuiting dier gruwelen had moeten gebeuren, vatten wij niet.

Maar hoe dit zij, thans het gebeurde nog eens duidelijker en aangrijpender, dan in verhalen uit tweede en derde hand kan geschieden, te hooren uit den mond van hem, die met zijn volk het lijden heeft geleden en in zijn hart dien jammer diep heeft medegevoeld, kan zijn nut hebben, wanneer de sympathie met de rampzalige slachtoffers van willekeur en wreedheid wordt verlevendigd en ernstige overweging of iets te hunnen behoeve kan worden gedaan niet achterwege blijft.

Of zullen de woorden die gesproken worden, natuurlijk door daverende toejuichingen onderlijnd bij elken uitval tegen onze regeering tegen het Turksche regime, daarna weder verwaaien met den wind?

Colofon