Leidsch Dagblad, 4 april 1895
Bron: Regionaal Archief Leiden

De Armenische gruwelen

Uit Gheu Tumisser (Russisch-Armeensche grens) stuurt de correspondent van de Londener "Daily News" een derde brief aan zijn blad, dd. 7 Maart. Ditmaal ondervroeg de correspondent een Turkschen sergeant, een fanatiek Muzelman, die met een duivelsch pleizier vertelde, hoe hij de "christenhonden" heeft vermoord en gemarteld. In het midden van Augustus hadden zoowat 28- a 30,000 man, reguliere troepen en Kurden, stelling gevat bij de christen-dorpen van Sassoen. Toen kwam kolonel Ismail Bey van Moesh, om het bevel over de troepen te nemen, en hij bracht uit Erzeroem en Erzingian ongeveer 3500 man mee. Den dag na zijn aankomst liet Ismail Bey de troepen carré vormen en ging, met de officieren en een hoog burgelijk ambtenaar, in het midden staan. Hij had een papier in de hand en riep: Dit is het firman van den Padishah. Daarna liet hij het bevelschrift luide voorlezen. Het firman luidde, dat de Armeniërs in opstand waren tegen des sultans gezag en moesten gestraft worden. Ismail nam daarna het woord en zeide, dat de dorpen door vuur moesten vernield worden en de troepen met de Armeniërs mochten naar goeddunken handelen en al dooden, wat leven had. Zoo luidde des Sultans bevel.

De troepen rukten op naar Shenik. Er was zulk een groote bende Kurden, die het dorp omringde, dat de Turken, om hunne kanonnen te kunnen gebruiken, den Kurden moesten verzoeken uit den weg te gaan. De bommen zetten alles in vuur en alles werd gedood; natuurlijk, zeide de sergeant, want het waren allen oude menschen, zieken en kinderen, en ze boden hoegenaamd geen verzet!!! Den volgenden dag gingen de troepen naar Ghelié Guzan; daar ook omringden duizenden Kurden het dorp en tusschen de inwoners en de Kurden werd een onophoudelijk geweervuur gewisseld. Wij gaven, zegt de sergeant, aan de Kurden twee waggons ammunitie en lieten ze twee dagen lang het dorp beschieten, terwijl de inwoners meer en meer de vlucht namen in het gebergte. Bij den dageraad werd het dorp ingenomen. Alle huizen werden geplunderd. De bewoners, die buiten kwamen, werden gedood en zij, die binnen bleven verscholen, werden levend verbrand.

In zeker huis bevonden zich enkel vrouwen en kinderen, maar die woning was zoo goed gebarrikadeerd, dat men een kanon noodig had om de deur open te schieten; al wat leven had in het huis, werd gedood. De officieren gaven bevel af te maken met bajonetten om kruit te sparen. 6- a 800 Armeniërs waren gedood, toen de hoorns den aftocht bliezen. Het eikenbosch, rond Ghulié Guzan, waarin honderden Armeniërs gevlucht waren, werd omsingeld en daarna in brand gestoken, zij, die wilden vluchten, schoot men meedogenloos neer; de overigen kwamen om in de vlammen.

Op zekeren dag gaf de kolonel bevel de krijgsgevangenen niet meer te dooden, maar ze levend in het kamp te brengen; de soldaten, die de oorzaak van dit bevel begrepen, gehoorzaamden, Zij brachten een paar mannen mee en deze werden, na wel gevoed te zijn geweest, zonder letsel in vrijheid gelaten. Dit was echter een valstrik.

Een paar dagen later kwamen vele vluchtelingen van de Autok-bergen naar beneden; tusschen dezen was Der Shannes, de bekende priester van Semal, met een 140 a 170 menschen.

Men ontving hen heel goed en er kwamen er dan ook meer en meer; en, om hun bezigheid te geven, gaf de kolonel bevel tot het graven van loopgraven, zoo het heette voor verdedigingswerken.

De Armeniërs graafden zelf de kuilen, niet wetende dat het hun graf zou worden. De sergeant vond dat zoo geestig, dat hij, toen hij 't verhaal aan den correspondent deed, bijna berstte van lachen. Daarna vertelde hij lang en breed de marteling van den priester, wien men den oogen uitstak en dien men ten slotte met bajonetsteken afmaakte.

Ten slotte gaf hij het verhaal der moorden, die twee weken duurden en die ook uit vroegere inlichtingen onzen lezers bekend zijn. 't Is onnoodig die afschuwelijke beschrijving te herhalen.

In het geheel schatte de sergeant dat er zoowat 5000 Armeniërs waren vermoord en, voegde hij er bij, ware de Mushir niet gekomen, we zouden geen dorp in het Sassoen-district hebben gespaard en geen enkel christen het leven hebben laten behouden!

Colofon