Leidsch Dagblad, 10 juni 1880
Bron: Regionaal Archief Leiden

Turkije

De voorzitter van het Armenisch comité van onderstand, de heer Chrimian, heeft den Armenischen patriarch te Konstantinopel een telegram doen toekomen, dat den toestand in Armenië in zeer donkere kleuren schetst. Bij den hongersnood, die in de ongelukkige provincie heerscht, komen de plunderingen en geweldadigheden der rondzwervende Kurden. De geheele verwoesting van armenië is te vreezen. De schrik voor de Kurden noopt een groot deel der plattelandsbevolking om de vlucht te nemen zonder bebouwing der akkers; de weinigen, die den moed tot blijven hebben, worden mishandeld en maar al te dikwijls vermoord. De comités van onderstand kunnen dus niets doen, de hongersnood neemt toe in plaats van verzacht te worden. De Kurden, aan hunne roofzieke gewoonten getrouw, werpen zich op de ongelukkige dorpen, overal sporen hunner verwoestingen achterlatende. In Kazda-Erdjisch en Aderdjevaz, waar de grond genoeg kan opbrengen om het geheele vilayet te voeden, hebben de Kurden onlangs huisgehouden; hun vee heeft alles kaal gevreten, zij hebben de lastdieren medegenomen en zulk een schrik verspreid, dat de arme landlieden alles in de steek lieten en de vlucht namen. Dezelfde Kurden hebben in het dorp Jako, in het district Kiavasch, een op het veld werkenden boer vermoord, het zaaikoren geroofd, een karavaan, die levensmiddelen van het comité naar de noodlijdenden overbracht, uitgeplunderd, waarbij een muildierdrijver om het leven kwam en verscheidene anderen gekwetst werden. Uit Alzak verneemt het comité, dat een Kurdenstam de dorpen geplunderd en alle akkers verwoest heeft. Het is onmogelijk alle daden van geweld, plundering, wreedheid en mishandeling op te sommen, die de bevolking tot wanhoop drijven, haar geduld uitputten en de pogingen verijdelen om een nog erger hongersnood te voorkomen.

Colofon