Leeuwarder Courant, 31 augustus 1896
Bron: Digitaal Archief Noord-Nederland

Algemeen overzicht

Eergisteren kwam er een verontrustend telegram uit Constantinopel: Gewapende Armeniërs, zoo heette het daarin, waren het gebouw der Ottomaansche Bank binnengedrongen en hadden er zich verschanst. Een belegering was het gevolg, waarbij vele dooien vielen, terwijl ook elders in de stad de onlusten uitbarstten.

Gisteren kwam het bericht, dat de Bank ontzet was en de Armeniërs, vijf en twintig in getal, aan boord van een schip gebracht waren, dat hen in ballingschap zal brengen. Heden komen de bijzonderheden van deze geschiedenis en daarmede eene totaal gewijzigde lezing.

Het is niet zeker, dat de Armeniërs den aanslag pleegden. Er schijnt eenigen grond te zijn om te vermoeden, dat men hier met eene schijn vertooning te doen had, door Turken uitgelokt, om een stormloop op de Armeniërs te kunnen beginnen.

Deze meening wordt o.a. volgehouden door de Vossische Zeitung. De aanslag was sedert lang beraamd en voorbereid. Toen hij gebeurde, waren de pistolen geladen en de dolken gewet... om wraak te nemen op de Armeniërs. Het was in de straten van Constantinopel ene menschenslachterij in het groot. "Honderden lijken," zoo seint de correspondent van genoemd blad, "liggen in de straten; bij karren vol worden ze weggevoerd; men smeet uit de ramen der huizen, waar Armeniërs woonden, de lijken der vermoorden op de straat. Het gepeupel joelde mede; met messen en vuurwapens werd er jacht gehouden op de Armeniërs. Men plunderde hunne winkels en bestormde hunne huizen. De politie deed niets en de soldaten deden niets. Men liet de moordenaars maar begaan, den geheelen nacht, totdat de woede gekoeld was."

Men zou dit bericht voor overdreven kunnen houden, maar hier is er een tweede, dat al niet beter is. De correspondent van het Berliner Tagsblatt is eveneens verontwaardigd en dit is een ernstig verschijnsel, want de man gaat door voor een vriend der Turken, die dikwijls de partij voor hen opnam. Hij kenteekent het gedrag der Turken als "woeste barbaarschheid."

Duizenden Turksche sjouwers, zoo meldt hij, liepen bloeddorstig de straten af; met knuppels gewapend overvielen zij in troepen van 30 of 40 de afzonderlijke Armeniërs, die zij als honden doodsloegen, terwijl de politieagenten lachend toekeken, zonder iets te doen. Zoo werd voor de oogen van den correspondent een Armeensch priester met stukken hout doodgeslagen; twintig andere Armeniërs heeft de berichtgever op dezelfde wijze zien vermoorden. 's Namiddags kwam hij zes vuilniskarren met lijken tegen. In de straten van Gajata zag hij dozijnen dooden; men spreekt van 2000 slachtoffers; en zelfs aan de lijken koelde de woedende Turken nog hun gemoed. Des avonds werden de Armeensche winkels geplunderd. Politieambtenaren van hoogeren rang verlangden dat Armeniërs aan het gepeupel uitgeleverd zouden worden. De Europeanen verschansten zich in hunne woningen, die zij van proviand voorzagen. De correspondent meent, dat de Turken in felle woede geraakt waren door de uittartingen der Armeniërs en dat het wachtwoord gegeven was, alle Armeniërs te vermoorden en hun winkels te vernielen. De politie deelde aan de Turken vuurwapens en knuppels uit.

En nu zal misschien de Turksche gezant te 's Gravenhage en zullen zijne ambtgenooten bij de andere hoven van Europa wel weer komen vertellen van een "onbeduidend standje" – er is toch zeker wel iets ernstigs voorgevallen. En dat feit is de meest afdoende critiek op de houding der mogenheden en de meest duidelijke appreciatie van den invloed dierzelfde mogendheden op de Porte.

Waar het den Turk geldt, is men in Europa wat huiverig uitgevallen. De mogendheden zijn bang, dat eene bestrijding van de Porte op haar eigen ooren zal terecht komen.

Colofon