Leeuwarder Courant, 27 juni 1899
Bron: Digitaal Archief Noord-Nederland

De Armenische moorden

Nu de vertegenwoordigers van Turkije te 's Gravenhage druk mee redeneeren over vrede, maar intusschen erg onrustig worden als er uitgeweken landslieden komen, die eens wat willen vertellen van de wijze, waarop de Turksche regeering in binnenlandsche aangelegenheden haar waardigheid ophoudt, is het een actueel onderwerp dat onlangs door den heer Quillard in de Revue de Paris behandeld werd, namelijk de gesohiedenis der onderhandelingen van de Turksche regeering met de hervormingsgezinde comité's van uitgewekenen in het buitenland.

De schrijver wijst op de waarschijnlijkheid, dat het bezoek van keizer Wilhelm te Constantinopel hier wel van eenigen invloed geweest is. Tot zoolang heeft de regeering des sultans nooit veel notitie genomen van vertoogen ten gunste van hervormingen en bevestiging der veiligheid des persoons.

In 1895 hadden de Fransche, Engelsche en Russische gezanten een onderzoek ingesteld naar de zaken in Armenië, welk verslag alle geheel of half aan het licht gekomen schandalen bevestigde. Toch werd een betooging van 3000 personen, die een zeer gematigd verzoekschrift om hervormingen wilden aanbieden, door de politie met geweld uiteengedreven. Onschuldige en weerlooze personen werden mishandeld en gedood en de gewonden, die gevangen genomen waren, werden in koelen bloede in de politie-bureaux afgemaakt.

En daarna ving een nieuwe moordperiode aan in Anatolië; 300,000 personen werden daar gewurgd, gehangen, verbrand, gevild of in stukken gehakt. In Armenië zetten honger en ellende het werk van het vuur en het zwaard voort en het schijnt wel, zegt de schrijver, alsof de sultan van zulk een jammerlijk geteisterd volk niets meer te duchten heeft.

Maar de comité's in het buitenland, vooral dat te Parijs, zorgde dat de kreet der verdrukten overal gehoord werd. De sultan scheen te beseffen, dat dat toch wat erg was tegenover over zijn vriend, den keizer van Duitschland, die natuurlijk meer moderne begrippen van volksvrijheid heeft dan de oude Turk. Zoo besloot de sultan dan, onderhandelingen met de comité's aan te knoopen.

Op 20 Nov 1897 zond de sultan Kerosk Bulbulian, oud-procureur-generaal van Adrianopel naar Parijs met de opdracht te onderzoeken, op welke voorwaarden het omwentelingscomité tot een schikking bereid was. Het comité weigerde met een officieus gezant te onderhandelen, waarop de sultan de taak aan den Turkschen gezant te Parijs, Munir Bey, overdroeg.

Het comité vroeg: 1. algemeene vergiffenis; 2. vrijen terugkeer dergenen, die na de moorden het land hadden verlaten; 3. het ophouden van de dwangmaatregelen tegen de Armeniërs; 4. stoffelijke hulp voor de gerepatrieerden; die zonder hulpmiddelen niet naar huis konden terugkeeren.

Nadat de onderhandelingen zes maanden geduurd hadden scheen de sultan aan deze eisshen te willen voldoen. Er verscheen een keizerlijk besluit van 15 April 1898, waarin algemeene amnestie werd verleend óók aan het Armenisch comité in Europa, dat de omwentelingsbeweging geleid had, en waarin beloofd werd, dat aan Armeniërs die daartoe bekwaam werden bevonden, ambten zouden worden gegeven en aan de behoeftigen hulp en steun.

Maar geen der beloften is tot heden uitgevoerd, zegt de heer Quillard. Integendeel zijn te Constantinopel en in de provinciën opnieuw een menigte Armeniërs gevangen genomen en het besluit is een doode letter gebleven. Enkele gevangenen werden wel is waar in vrijheid gesteld, maar de meesten bleven in de afschuwelijke holen van Tripoli, Adana of Constantinopel. De meest onschadelijke personen, die vertrouwend op het decreet, in het land kwamen werden bij hunne ontscheping in boeien geslagen. In Mei '98 werden te Smyrna 32 en te Constantinopel 52 Armeniërs gevangen gezet, die inzamelingen hadden gedaan daan voor de hongerlijdenden van Righi, waar, in 1895, negen dorpen verbrand waren. Moord en plundering kwamen nog telkens voor.

Toch had men te Constantinopel den moed om aan het comité te melden, dat nu aan alle wenschen was voldaan. Het comité dacht er anders over en protesteerde opnieuw.

In Sept. 1898 was er nog niets gedaan tot behoorlijke uitvoering der toegezegde besluiten. Toen stelde het omwentelingscomité eene lijst van zijne grieven op en dreigde voorts de nuttelooze onderhandelingen te verbreken. Het wees er op, altijd een loyale, oprechte en behoorlijke houding te hebben aangenomen, maar betoogde, dat het wegens het telkens uitstellen van het beloofde en het voortduren der vervolgingen, gedwongen was aan de goede trouw der regeering te twijfelen. Eindelijk stelde het comité een soort van ultimatum: indien binnen 12 dagen het besluit niet in alle opzichten ten uitvoer gelegd was, zou men alle betrekkingen met de regeering van den sultan als afgebroken beschouwen.

Het bezoek van den Duitschen keizer was aanstaande; in het paleis heerschte groote opgewondenheid; om tijd te winnen trachtte men aan het comité te beduiden, dat er een misverstand had plaats gehad; dat in het besluit van 15 April nooit sprake was geweest van algemeene amnestie maar slechts van vergiffenis aan verschillende personen.

Het comité beantwoordde dit met een krachtig protest, waarbij afschriften werden overgelegd van de brieven, die te dezer zake gewisseld waren tusschen Kerosk Bulbulian en Enver Bey, den gouverneur van Pera, duidelijk bewijzende, dat in het besluit wel degelijk de algemeene amnestie was beloofd.

Toen deed de sultan den vertegenwoordiger van het Armenische revolutionaire hoofdcomité uitnoodigen, naar Constantinopel te komen om persoonlijk de onderhandelingen verder te voeren. Dit was natuurlijk een vrij onhandig gespannen spannen valstrik en het comité bedankte per telegram voor de invitatie welke zij als een insolente plaisanterie kenschetste.

Sedert zijn er geen onderhandelingen meer gevoerd en de sultan heeft ook aan den toestand niets verbeterd. De mogendheden doen alsof ze niets hooren en redeneeren met den grooten moordenaar over wereldvrede.

Onderwijl weenen in 37 districten 89,000 weezen om hun vaders, 18,000 weduwen om haar echtgenooten, vermoord door de handlangers van den man, met wien de keizer van Duitsohland arm in arm durft gaan. En als er van den sultan iets gezegd wordt, dan tracht men het te smoren, zelfs buiten Turkije, en lukt dat niet, dan houden personen van invloed de ooren dicht, want zij willen wel met den Turk praten van vrede en champagne met hem drinken, maar hem wijzen op de geheel onwaardige plaats, die hij bekleedt, dat durft er geeneen.

En intusschen blijft het onder de Armeniërs gisten en is het slechts noodig om een paar moedige aanvoerders te doen opstaan ten einde een opstand in Turkije en daardoor een losbarsting van een belangenkrijg tusschen de Westersche mogendheden te krijgen.

Dat is het gevaar

Colofon