Leeuwarder Courant, 12 juni 1909
Bron: Digitaal Archief Noord-Nederland

Buitenlandsch overzicht

Eduard Mygind, de bijzondere correspondent van het Berl. Tageblatt, zet zijn reis in Klein-Azië voort en vertelt er van in zijn blad. Ditmaal heeft hij het over de puinhoopen van Adana. Vooraf gaat een korte beschrijving van de reis van Mersina over Tarsus naar Adana. Met den spoorweg is die afstand in drie uren af te leggen. Van de verwoestingen van Tarsus, dat op een kilometer afstands van het spoorwegstation ligt kon hij niet veel zien. De verwoestingen zijn daar ook zoo erg niet. Er zijn "maar" ten naasten bij 200 huizen en winkels afgebrand en geplunderd. Het aantal slachtoffers gaat niet boven de zestig uit, dank zij de bemoeiingen van de Amerikaansche zendelingen, van wie er, helaas, twee bij hun menschlievend werk zijn omgekomen.

De eerste van uit den trein zichtbare sporen van verwoesting treft men eerst op eenige kilometers afstand van Adana aan. Men ziet verscheidene halfverbrande en ingestorte huizen, kleine boerenwoningen, welker bewoners vermoord of gevlucht zijn. Slechts de vreemde vlaggen, die van een aantal huizen waaien, ter waarschuwing der plunderaars dat zij zich hier tegenover Europeesch bezit bevinden, toonen den reiziger dat hij zich op bedreigden grond bevindt.

Iets ongewoons houdt den blik gevangen; een groot tentenkamp, dat achter boomen en tusschen muren uitkomt. Dat is de tegenwoordige "Armeensche wijk" waar de ongelukkigen, van dak en have beroofd, een onderkomen hebben gevonden.

Adana is een stad van omstreeks 60,000 inwoners. Een vierde deel daarvan zijn Armeniërs, die bijna allen in één wijk wonen. Daardoor worden gebeurtenissen als in de jongste April-dagen zeer vergemakkelijkt. Zouden de huizen en winkels der Armeniërs over de geheele stad verdeeld zijn geweest, dan kon zulk een vernietiging van menschenlevens en eigendom niet plaats hebben gehad. Van het station voert een lange straat, waarin druk verkeer heerscht, naar den bazar en vandaar verder naar den Konak, de officieele residentie van den wali en het stadsbestuur. Wanneer men deze straat ongeveer een kwartier heeft gevolgd, treft men de eerste sporen der verwoesting aan. Winkels en werkplaatsen met stuk gesneden, aan flarden gescheurde en zwartgerookte gordijnen, met ingeslagen deuren en ramen staan verlaten. Het inwendige getuigt van roof en brand. Een honderd meters verder, bij de kromming van de straat, staat men plotseling voor de puinhoopen.

Een afgrijselijker beeld van verwoesting door menschenhand kan men zich niet denken. Ofschoon de lijken zijn weggebracht en de bloedsporen uitgewischt, ofschoon men de straten van het puin heeft gereinigd en weer begaanbaar gemaakt, is de aanblik ook nu nog verschrikkelijk.

Overal, hier in de buurt hetzelfde tooneel: groote en kleine huizen, kerken en scholen, fabrieken en winkels, alles, alles is een grauwvuile vuile puinhoop, waarin zwartgeblakerde muren en gevels, op invallen staande daken, halfverkoolde sparren en binten, door het vuur kromgebogen ijzeren staven, vernielde machines en met geweld geopende kasten als een verwarde massa zichtbaar zijn en een beschamend getuigenis afleggen van de woede der verdierlijkte menschen! Niets is gespaard gebleven! Wat de kracht van armen en werktuigen niet vermocht mocht te vernietigen of weg te brengen, viel in de macht van het vuur. Een volkomener verwoesting is niet denkbaar.

Hier en daar zijn enkele menschen bezig in de puinhoopen te graven. Zij hoopen onder het puin, dat meters hoog ligt, nog stukken van hun have te vinden, al waren het dan slechts werktuigen of keukengereedschap. Dingen van waarde of koopmansboeken verwachten zij niet te vinden.

Bij het voortgaan langs de puinhoopen ruikt men een onaangename brandlucht, want het vuur is binnenin nog niet geheel gebluscht.

Wat verder af waait uit een half met puin gedichte opening, vroeger een kelder, een ontzettend stinkende lucht u tegemoet. Daar ligt een in ontbinding verkeerend lijk, dat men vergeten heeft te verbranden of in de rivier te werpen. Vele honderden lijken moeten er nog onder de puinhoopen liggen en hoe vele menschen zullen daar dagenlang met den dood hebben gestreden ?

De gids van den correspondent vertelde hem afschrikwekkende bijzonderheden over de woede van het gepeupel en de soldaten. Mannen schoot men neer of men sloeg hun met knuppels en bijlen dood; de vrouwen en meisjes deed men geweld aan en martelde haar.

In een huis, dat reeds niet meer in de eigenlijke Armeensche wijk was gelegen, waren in den donkeren nacht een dozijn vrouwen en kinderen gevlucht, die aan het bloedbad hadden weten te ontkomen. Zij hielden zich daar eenige dagen verborgen. Daar het gebouw half verwoest was, vermoedde niemand, dat vluchtelingen zich daar bevonden. Daarenboven hadden dezen den voorzorgsmaatregel genomen om alle openingen met puin te vullen. Toen de weinige etenswaren, die zij hadden kunnen meenemen, bijna opgebruikt waren en ook het schieten daarbuiten had opgehouden, besloten zij in den nacht hun toevluchtsoord te verlaten en ergens anders heen te vluchten. Maar toen deed zich een onverwacht bezwaar voor. Een der vrouwen werd moeder. Men wachtte derhalve nog tot het aanbreken van den volgenden nacht om het plan ten uitvoer te brengen. Toen buiten alles donker en stil was geworden kropen de vluchtelingen voorzichtig en zachtjes uit hun schuilhol en kwamen op straat.

Op dit oogenblik begon de jonggeborene te schreien en niettegenstaande alle pogingen was het niet mogelijk haar te doen ophouden. In naamloozen angst dat het gehuil de opmerkzaamheid der plunderaars zou trekken en zoo aller redding zou verijdelen, drukte de ongelukkige Moeder het kindje met het gezicht tegen zich aan en verstikte het.

In een ander huis hadden een vader en zijn vier halfvolwassen zoons zich met revolvers en messen verdedigd, totdat zij overweldigd werden. Een hodsja, die een bijzondere straf voor hen had uitgedacht, had verhinderd dat zij werden afgemaakt. Zij werden midden op een bloedige puinhoop gebracht. Aan den jongsten jongen werd nu bevolen zijn broeder, die in leeftijd op hem volgde, te dooden. Toen hij weigerde, werd hem een geweer op de borst gezet. Men dreigde hem te zullen doodschieten. De jongen, bevreesd geworden, deed wat hem gelast werd. Vervolgens schoot hij ook zijn beide andere broers dood. Ten slotte beval men hem ook zijn vader te dooden. Maar dit weigerde hij met beslistheid. Men beval toen den vader den onwilligen knaap neer te schieten, wat deze natuurlijk ook weigerde. Een bijlslag spleet hem den schedel en dit lot zou den twaalfjarigen knaap ook zijn beschoren, ware niet op het laatste oogenblik een afdeeling soldaten komen opdagen, die den moord verhinderde.

Er zijn afschuwelijke wandaden gepleegd. Het Koerdische en Arabische gepeupel hebben elkaar daarbij geholpen en zijn ondersteund door de geregelde troepen.

Ook de constitutioneele troepen deden daaraan mee, al was het dan ook uit misverstand. De Armeniërs, die allen bewapend waren en zich tegen het gespuis en de verbonden Syrische troepen langen tijd met goed gevolg nadden verdedigd, waren van de aankomst der infanterie van het derde legerkorps, die tot hun bescherming waren aangerukt, niet in kennis gesteld. Of zij geloofden mogelijk het bericht niet. In elk geval meenden zij, dat ook deze troepen het op hun leven en bezittingen hadden voorzien en versterkten hun vuur. Zoo geschiedde het, dat zij niet alleen door het Mohamedaansche gepeupel maar bovendien ook door soldaten die te hunner bescherming waren aangerukt, werden beschoten.

Het is natuurlijk moeilijk het aantal slachtoffers op te geven. De Armeniërs noemen een te hoog getal, de overheid geeft een te laag aantal op. Velen, die gevlucht zijn, worden thans als gedood vermeld. Telkens komen er weer te voorschijn, die voor dood golden.

Niet ver van de waarheid zal men zijn, zoo men het aantal slachtoffers op ongeveer vijftien tot zestien duizend schat.

De gedoode Mohammedanen werden allen begraven. De lijken der christenen wierp men in de rivier, die door de stad stroomt en in zee uitmondt. De lijken dreven tot bij Mersina, waar men daardoor geruimen tijd het baden en de vischvangst moest uitstellen.

Colofon