Leeuwarder Courant, 10 juli 1899
Bron: Digitaal Archief Noord-Nederland

De Armenische gruwelen

Gisteren avond is te Amsterdam opgetreden Minas Tschéraz om te spreken over de gruwelen die in Armenië worden bedreven, daartoe in de gelegenheid gesteld door de kamerleden dr. A. Kuyper, F. Lieftinck en dr. J E. Vermeulen.

Dr. Kuyper sprak een openingswoord. De spr. begon met te zeggen, dat de Armeniërs, evenals iedere natie, fouten heeft, maar hierom mocht toch een geheele bevolking niet worden veroordeeld. Men verweet hun dieven te zijn in den handel; toch was slechts een kleine minderheid van hen kooplieden.

Hij schetste voorts de aanvallen, die de bevolking te verduren had van de Perzen, en later van de Arabieren en andere volken, die tot den Islam waren bekeerd, maar de genadeslag was gegeven door de Turken.

Een overzicht werd nu gegeven van de Jong-Turksche partij, die reeds over een aantal organen beschikt en haar ontstaan. Opgekomen moest worden tegen het moorden, het onschuldig afmaken van zoovelen, alleen omdat zij een anderen godsdienst belijden.

Spr. wijst daarna op de enquète, door de mogendheden ingesteld, na de moordpartijen te Sasaul, en brengt daarbij in herinnering hetgeen de Hollanders te verduren hadden vóór den 80-jarigen oorlog. Ook toen werd erg gemoord, evenals in Armenië, waar 300,000 Christenen den dood vonden. Met de meeste hardvochtigheid werd te werk gegaan om de Armeniërs terug te doen keeren tot den Islam. En het is de Porte, die deze moorden bevolen heeft, hetgeen blijkt uit de verschillende officieele stukken daarover door de mogendheden gepubliceerd.

Het resultaat der enquète was, dat giften gezonden werden en voedsel verstrekt, maar dit was toch niet voldoende, en de pers beklaagde zich over dezen uitslag.

Spr. schetst nu de Armeniërs als volk, als sprekende eene nationale taal, die nationale muziek componeeren en nationale litteratuur schrijven, als menschen, die niet behoeven te staan onder andere beschaafde volken. Als voorbeeld leest hij eenige verzen voor, die met luid applaus worden begroet.

Hij wijst dan op zijn komst in den Haag, waar hij alle deuren tot zijn verbazing gesloten vond. Met listen was hij in het Huis ten Bosch doorgedrongen om een beroep te doen op de rechtvaardigheid van geheel Europa. Hij werd geweigerd, ofschoon hij verklaarde: "Wij hebben een leger van 300,000 slachtoffers, een vloot van lijken, die verdronken zijn in den Bosporus."

Op een schrijven aan den president ontving hij geen antwoord. In extase riep spr. uit: de diplomatie van Europa beschuldig ik te zijn de oorzaak van de ruïne van mijn land.

De politie kwam zich in den Haag met zijn zaken bemoeien, voor het eerst van zijn leven. Ik respecteerde haar – ging hij voort, zooals ik dat overal gedaan heb, maar vroeg de oorzaak van de interventie. Men zeide mij, dat indien ik vóór of na de vredes-conferentie was gekomen, ik had kunnen spreken, nu moest ik zwijgen.

En juist gedurende deze conferentie ben ik gekomen om te wijzen op de moorden in Armenië, omdat de moordenaar daar vertegenwoordigers had gezonden, Holland heeft de poorten geopend voor de beulen, maar gesloten voor de verdrukten.

Volk van Nederland, riep spr. uit, ik vraag u een gunst, een weinig sympathie voor het gekruisigde Armenië. Ook u, Koningin der Nederlanden, Keizerin van Indië, u die het ideaal zijt van al wat schoon is en goed, de incarnatie van het verhevene en het reine, ook u heb ik een gunst te vragen. Geknield aan uw voeten, uit den naam van 300,000 gemartelde Armeniërs, smeek ik u, veroorloof nooit, dat hun beulen met hun vuile lippen uw blanke engelachtige handen zullen aanraken.

De rede van Tschéraz werd met uitbundig gejuich begroet.

Dr. Kuyper bracht den spr. dank voor de uitgesproken rede en riep het Armenische volk geduld toe. Evenals voor de Grieken zal ook voor de Armeniërs de verlossing aanbreken.

Colofon