De Klok, 23 maart 1934
Bron: Digibron

De Assyrische christenen

G.L. Baron; J.W. Pont; C. de Witte

De bekeering tot het Christendom van de inwoners van Mesopotamië, vinden we het eerst vermeld in Handelingen 2 vers 9, toen zij op den dag van 't Pinksterfeest de boodschap hoorden van het Evangelie van Christus en de Heere tot de gemeente deed, die zalig werden. Onder degenen, Petrus luisterden, bevonden zien ook die naar de prediking van den Apostel Parthers uit Adiabene of dat deel van Assyrië, hetwelk tot het Perzische Keizerlijk behoorde. Ook in den eersten brief van den Apostel Petrus hoofdstuk 5 v. 13, lezen wij over de "mede-uitverkorene gemeente, die in Babyion" is.

Zeker is het dus, dat de vermaardheid van den Heere Jezus ook tot deze oude Assyriërs was doorgedrongen en daar zij een religieus volk waren, waren enkelen naar Jeruzalem getrokken, om den nieuw geboren Heiland te zien.

Volgens overleveringen, die in de geschiedenis van de Christelijke kerk in Assyrië bewaard zijn gebleven, moeten de Wijzen van het Oosten, die naar Jeruzalem waren gekomen om Hem te aanbidden, bewoners zijn geweest van Oeroemia, een Medische stad. Reeds Zoroaster, het hoofd der Mariërs en inwoner van Oeroemia, voorspelde de komst van een Messias en gaf zijn discipelen opdracht zich bij het verschijnen van de ster op te maken, om dit "geheimzinnige kind" te aanbidden. "Hij," zei de eerbiedwaardige ziener, "is het almachtige woord, dat de hemelen schiep." De Assyrische Christenen beweren, dat de profeet Zoroaster een discipel van Jeremia moet zijn geweest en volgens Prideaox mag men zeker aannemen, dat Zoroaster een leerling van een der profeten was, misschien was hij zelfs wel een Israëliet.

De eigenlijke taak, die de Apostelen en andere discipelen hadden, was het Evangelie te verkondigen "aan de verloren schapen van het huis Israël"; dit was de opdracht die de twaalf en de zeventig ontvangen hadden. Nu bevonden zich groote Joodsche kolonies in Assyrië, overblijfsels uit den tijd der Babylonische gevangenschap en zoo trokken zij ook naar deze ver verwijderd wonende Joodsche broeders, om hun het Evangelie te brengen. We vinden in de geschiedkundige annalen de namen van een aantal discipelen, die in de Apostolische tijden der Kerk het Evangelie predikten in Mesopotamië.

Origenes, Eusebius, Jeromius, Ambrosius, Nicephorus, Baronius, Natalus en anderen bevestigen, dat de Apostel Thomas in Parthië en andere Oostersche landen, het Evangelie predikte aan Parthen, Meden en Perzen in het tweede jaar na de Hemelvaart des Heeren. Ook Ambrosius bevestigt, dat de Apostelen Mattheus in Medië en Thaddeus in Mesopotamië, Assyrië en Perzië het zaad van het Evangelie uitstrooiden. Op hen volgden Ageus of Adeus, de zijdewever en leerling van den Apostel Thaddeus, die het Evangelie verkondigde aan de Perzen, de Assyriërs, de Meden en de Armeniërs en Marez (een van de zeventig), die in Babylonië, Assyrië en Perzië preekte. Herhaaldelijk bezocht hij deze streken en ook die plaatsen, waar de Apostel Thaddeus het geloof in Jezus Christus had gebracht, om te doopen, te onderwijzen, kerken te bouwen, zieken te genezen, teekenen en wonderen doende, zcodat velen toegedaan werden tot het geloof.

Parthers en Meders en Elamieten en die inwoners zijn van Mesopotamië, ontzetten zich allen en verwonderden zich, want een iegelijk hoorde in zijne eigene taal spreken", en deze allen hebben er ongetwijfeld toe bijgedragen, dat het Evangelie van Jezus Christus in hun landen werd bekend gemaakt.

Van deze oude Assyriërs, Chaldeeën. Perzen en Meden, stammen de Nestoriaansche Christenen – thans meer bekend als Assyrische Christenen. Dit oude Christelijke volk, dat een waarlijk zendingsvolk mag worden genoemd, zond reeds vanaf de derde eeuw zendboden uit door het geheele Oosten, om het voor Christus te veroveren. Hun ijver nam nog toe, nadat zij den hoofdzetel van hun kerkelijk leven verplaatst hadden naar Seleucia-Otesifon, en bepaalde zich in hoofdzaak tot de landen buiten de grenzen van het Romeinsche Keizerrijk. Met groot geduld arbeidden zij in Perzië, Syrië, Indië, onder beschaafde en wilde volksstammen, die in woestijnen en aan de veraf gelegen kustplaatsen van Azië woonden.

In de 7e eeuw, de eeuw, waarin de Islam opstond en zich door middel van het zwaard zoo snel uitbreidde, arbeidden niet minder dan 70 zendelingen alleen in China, van wie de namen tot op heden bekend zijn gebleven. Keizer Coacum, die van 650–684 regeerde, beval, dat in al de provincies van z ijn Rijk Christelijke kerken moesten worden gebouwd. In 714 zond Patriarch Salibasacha een Metropoliet naar China. De toenmalige Keizer van China had een eigen kerk, die hij versierde met de standbeelden zijner voorouders en ook gedurende de regeering van zijn opvolger groeide het zendingswerk in China.

Nog eenmaal laaide de zendingsijver der Nestorianen hoog op. De stuwende kracht was de Patriarch Timotheus, geboren te Beth-Aben in Assyrië. In 778 zond deze Subchalyesjoe die de Syrische, Perzische en Arabische talen sprak, naar de Oostkust van de Kaspische Zee. Overal predikte hij het Evangelie, kerken werden gebouwd, leeraren werden aangesteld, om de jonge bekeerlingen te onderwijzen. Zoo trok hij van stad tot stad, kwam zelfs naar China, werd echter op de terugreis naar Assyrië door heidenen vermoord. Direct werden twee andere zendelingen uitgezonden, die 15 hulp-zendelingen meenamen, om de leeggeworden plaats in te nemen. In 820 werd Timotheus uit zijn gezegenden arbeid door den dood weggenomen. Ook in de volgende eeuwen blijft de zendingsdrang onder de Nestorianen bestaan. In Tartarië en aangrenzende landen zetten zij hun zendingswerk voort en ofschoon Genghis Khan, Keizer der Mongolen, en zijn opvolgers, de bewoners der landen, die zij hadden veroverd, niet met rust lieten, ging het zendingswerk stilzwijgend door en hadden de Christenen weinig last van hen.

In de 14e eeuw kreeg de Islam de overhand in Hyrcania en Kharassan, en moesten zoowel de Nestoriaansche Jacobieten als de Roomsch-Katholieken het veld ruimen. Reeds eerder had de Islam zijn vroegere grenzen in het Oosten overschreden en nu ontbrak nog slechts het zwaard van Tamerlame, om de westelijke Tartaarsche Kerken geheel te vernietigen. Dit gebeurde in 1380.

Tot in de 16e eeuw blijft de Nestoriaansche Zending in Centraal Azië. dan verflauwt echter hun ijver en dit eens zoo door God begenadigde volk zonk in onwetendheid en bijgeloof. Alleen de priesters konden nog lezen, aan de opvoeding der vrouw dacht niemand en het volk zelf hechtte meer waarde aan uiterlijke ceremoniën, dan aan een leven met God. Ondanks hun innerlijk verval staan er echter telkens weer enkelingen op, die het licht van het Evangelie brandende hielden.

De wereldoorlog greep op onmeedoogenlooze wijze in het leven dezer Christenen, want ook hun wachtte hetzelfde lot, dat het deel was der Christelijke bevolking in Klein-Azië. Duizenden mannen, vrouwen en kinderen zijn gedood, geheele families zijn in hun huizen opgesloten, waar ze levend verbrandden; kinderen werden uit de armen der moeders gesleurd en voor haar oogen verpletterd; hun eigendom werd geplunderd, hun kerken verwoest, hun dorpen gebombardeerd, verbrand, uitgemoord. Duizenden families, die aan de massacres waren ontkomen, vonden een wijkplaats op de toppen der hooge bergen en gedurende drie lange maanden was de grond hun slaap plaats, de hemel boven hen dekte hen toe en waren zij van alle kanten door bloeddorstige en fanatieke vijanden omgeven.

Hun voedsel bestond slechts uit schapenvleesch – er was geen zout om het te bereiden – men kreeg het toebedeeld in kleine porties, want de kudden waren door de Mohammedanen weggedreven. Toen zij zich later in veiligheid konden stellen, stierf het overgroote deel tengevolge van Cholera en andere ziekten. De rest, die al deze ellende te boven kwam, vinden we verspreid in Syrië en den Libanon – een volk zonder vaderland, dat in vluchtelingenkampen leeft onder al de ontberingen die daarmede zijn verbonden. Voor deze vluchtelingen werd tot dusver zoo goed als niets gedaan. Hun geschiedenis loopt parallel met die der Armeniërs: ook hier een taai vasthouden aan hun Christelijk geloof, waardoor de vervolgingen over hen losbarsten.

De Morgenland-Zending (Secretariaat Mej. Cato de Witte, Willem Barentzstraat 103, Utrecht) die door een zendings- en ondersteuningsarbeid van ruim 10 jaren onder de Armeensche vluchtelingen in Syrië met het zendingswerk in het Oosten is vertrouwd, wil trachten ook belangstelling te wekken voor deze groepen van Assyrische Christenen. Ook zij moeten innerlijk en uiterlijk worden geholpen. God schenke onder deze Assyrische Christenen nieuw leven, opdat zij, zooals eens in vroeger eeuwen, weer een zegen mogen worden voor de volken van het nabije Oosten, in het bijzonder voor de Mohammedaansche Koerdenstammen en Yezidees of duivelsaanbidders, met wie zij stamverwant zijn.

Wij voegen hieraan nog toe, dat de Nestorianen in hun godsdienstoefeningen dezelfde taal gebruiken als de Heiland sprak, en waarin het Evangelie van Mattheus het eerst was geschreven. De Maronieten en de Syriërs, die tot de Roomschkatholieke kerk behooren, gebruiken deze taal in hun liturgie, terwijl in Koerdistan het Arameesch in het dagelijksch leven werd gesproken.

Daarom mag geen inspanning te groot zijn, geen tijd mag verloren worden, om deze resten der Assyrische Christenen te redden. Mannen en vrouwen met een groot geloof moeten de hand aan den ploeg slaan. De oudste geschiedenis van dit volk, hun geografische ligging, hun tegenwoordig karakter en ijver om zich te ontwikkelen, hun aanhankelijkheid aan het Woord van God, en de teekenen der tijden in deze landen, die hun schaduwen vooruitwerpen, van den geweldigen crisis, die komen zal, waarin een leger van trouwe soldaten van het Kruis bereid zal moeten zijn, den strijd op te nemen, geven ons moed, hun de helpende hand te reiken.

Er is wel geen volk, dat van de 3e tot de 16e eeuw zoo in den wijnberg des Heeren heeft gewerkt als de Nestorianen, Daarom reeds alleen heeft de kleine rest, die overbleef, het recht op onze Christelijke naastenliefde, op onze sympathie en ons medeleven. Nog sterven er op dit oogenblik velen in de vluchtelingenkampen van Syrië en elders als offers van tuberculose en andere ziekten, die het gevolg zijn van hun ellendig bestaan.

Moge dit korte overzicht over hun krachtig geloofsleven, hun vervolgingen en ontberingen, ons allen opwekken iets voor deze Oostersche medechristenen te doen. Giften worden gaarne in ontvangst genomen door de 2e penningmeesteresse der Morgenland-zending op giro no. 18757. Het Hoofdbestuur der Morgenlandzending deelt mede, dat de heer Javaraud samenwerkt met dezen arbeid en het in hem gestelde vertrouwen ten volle waardig is.

Voor het Hoofdbestuur:
G. L. Baron VAN BOETZELAER. Bilthoven.
Prof. Dr. J. W. PONT, Bussum.
CATO DE WITTE, Utrecht.
Secretaresse, 2e Penn.esse

Colofon