Terug naar vorige pagina 

Heldersche Courant, 9 januari 1923
Bron: Regionaal Archief Alkmaar

De conferentie te Lausanne

De voorloopig allerlaatste vergadering van alle subcommissies heeft Zaterdagochtend tot een heftig incident geleid, dat in schrille tegenstelling staat met de over het algemeen zoo hoffelijk en waardig gevoerde besprekingen der subcommissies. Montagna (Italië), de voorzitter van de subcommissie voor de rechten van de minderheden deed in kalme gematigde woorden een beroep op den goeden wil van de Turken tot tegemoetkoming aan de wenschen van de Syriërs, Bulgaren en Armeniërs.

Hierop steunde sir Horace Rumbold namens de Engelsche delegatie dit denkbeeld. Rumbold herinnerde niet onhandig eraan, dat Ismet pasja in de voltallige commissie verklaard had, dat vooral Rusland steeds de minderheden tegen Turkije had opgestookt. Dit gevaar is nu bij de bestaande Turksch-Russische vriendschap verdwenen.

Daarna nam de Fransche gedelegeerde Delacroix het woord om ook zijnerzijds Montagna en Rumbold te steunen. Nauwelijks was de Franschman begonnen toen Riza Noeri bei opstond en het woord vroeg. Montagna verzocht hem zijn beurt af te wachten. Riza Noeri bei weigerde en dreigde de zaal te zullen verlaten, indien hij niet onmiddellijk spreken mocht. Montagna gaf tenslotte met toestemming van den Franschman toe. Riza Noeri bei verklaarde toen op snerpenden toon het volkomen begrijpelijk te achten, dat de geallieerden zoo voor de Armeniërs, Syriërs en Chaldeeërs pleitten, daar zij zware zedelijke verplichtingen tegenover deze minderheden hebben. Alle ellende, de laatste jaren over deze volkeren gekomen, is de schuld van de geallieerden, die ze tegen Turkije ophitsten. Riza Noeri bei beschouwde echter de verklaringen van Montagna, Rumbold en Delacroix als zonder eenige waarde en als niet afgelegd en verzekerde geen woord meer over deze aangelegenheid te willen hooren, anders zou hij de vergadering verlaten. Montagna herinnerde den Turk eraan, dat hij den Franschman in de rede gevallen was en slechts als een bijzondere gunst mocht spreken. Het was zijn plicht nu verder den Franschman aan te hooren. Riza Noeri bei handhaafde zijn weigering. Montagna verklaarde dat de Turk zich daardoor buiten de wetten der conferentie plaatsen zou, doch Riza Noeri was ongezeggelijk en verliet inderdaad de vergaderzaal.

Algemeen verbaast men zich over de onhandigheid van het Turksch optreden, dat natuurlijk den band tusschen de geallieerden slechts versterken kan en het den geallieerden den gemakkelijker maakt bij een eventueele breuk van de conferentie de Armeensche zaak op den voorgrond te schuiven.

In de commissie voor de capitulaties is het ook weder spaak geloopen. Ismet pasja nam plotseling een absoluut afwijzend standpunt in, waartegen over de geallieerden aaneengesloten stelling namen.