De Gooi- en Eemlander, 24 maart 1927
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Blaricum - Het lijden der Armeensche Christenen

Dinsdagavond hield mej. Cato de Witte uit Amsterdam, secretaresse van het comité voor Nederland der "Action Chrétienne en Oriënt" in de voormalige Gereformeerde kerk aan de Iepenlaan een lezing met lichtbeelden over het lijden der Armeensche Christenen.

De heer Rou opende de bijeenkomst namens het Comité van Actie en deelde in zijn inleiding mede, dat het grootste gedeelte van dit arme volk is verspreid over de geheele wereld. Spr. wees er op, dat hij niet dieper hierop behoefde in te gaan, aangezien mej. de Witte, die het lijden van zoo nabij zag, het wel uitvoerig zal vertellen. En hierna verleende spr. mej. Witte het woord.

Alvorens deze haar lezing aanving, dankte zij allen, die medegewerkt hadden aan het oprichten van een comité hier ter plaatse en het organiseeren van dezen avond. Het Armeensche volk – aldus spr. – ging reeds vroeg tot het Christendom over. Lang heeft het zijn onafhankelijkheid kunnen bewaren; daarna kwam het onder het juk der Romeinen, Perzen en nog tal van andere volken. Tot ten laatste de Turken de heerschappij over Armenië kregen. Zij leven onder den druk van een volk, dat hen – omdat zij Christenen zijn – vervolgt en tal van malen reeds vroegen zij om hulp. Doch helaas, de groote mogendheden hebben het te druk om hun handen in het wespennest, zooals zij dat noemen, te steken. Vandaar de vele massamoorden en de toestand bleef onveranderlijk tot in het begin der 20e eeuw. Toen toch deden zoowel Duitschland als Rusland pogingen om te helpen. De groote oorlog stuurde echter alles weer in de war.

De Turken trokken zich terug, totdat zij in 1915 den Heiligen Oorlog begonnen, d.w.z. Mohammedanen tegen Christenen. Als gevolg daarvan begonnen zij eerst den strijd tegen de Christenen in eigen land en veel hebben toen de Armeensche Christenen te lijden gehad. Eén der vele staaltjes, welke spr. ter illustreering van het gesprokene vertelde, is typeerend en laten wij hier volgen. Een jonge man vertelde het volgende: Op een goeden dag kregen de Christenen bericht, dat zij binnen twee uur weg moesten en ieder mocht maar zoo weinig mogelijk medenemen. Het doel was de Christenen naar Berazor te doen vluchten om hen vandaar in de woestijn te drijven en te vermoorden of ze in den Euphraat te laten verdrinken. Op weg naar Berazor werden zij door Arabieren overvallen. Na een verschrikkelijke moordpartij gaat de troep verder en kunnen zij, die nog een Turkschen goudpond over hebben zich inschepen op de booten naar Berazor. Het eerste jaar gaat alles daar goed, doch na luttele jaren verandert de zaak en worden ze naar de woestijn gedreven. Daar worden de mannen van de vrouwen en kinderen gescheiden. De mannen worden doodgeschoten en de vrouwen, waarvoor munitie te kostbaar was, werden afgeslacht. De jonge man, die dit verhaal deed, vluchtte met zes anderen. Onderweg werden zij door Arabieren overvallen, die hen van het laatste kleedingstuk beroofden en naakt trokken zij verder, totdat zij een Arabier ontmoetten, die nog een medelijdend hart had. Deze hielp er drie, de vier anderen werden aan hun lot overgelaten en nooit werd er iets meer van hen gehoord. De drie overblijvenden kwamen te Aleppo aan, waar de jonge man dit verhaal deed.

Aleppo is de centrale van de "Action Chrétienne en Oriënt" en tevens een toevluchtsoord voor de vluchtelingen. Voor dit volk is het – aldus spr. – waarvoor de belangstelling en het medelijden wordt gevraagd. Er zijn zoo talloozen, die om geld smeeken en vaak moet het Comité zeggen: "Er is geen geld!" Men begrijpt niet hoe het mogelijk is in de 20e eeuw, de eeuw waarin men spreekt van gerechtigheid. In 1922 woedde een groote brand te Smyrna, welke volgens ooggetuigen door de Turken was aangestoken. Op de brandende huizen werd met petroleum gespoten. Aan de eene zijde der stad had men toen de brandende huizen; aan de andere zijde de zee en aan twee overblijvende kanten stonden de gendarmen. Nergens was er dus een uitweg. De meesten sprongen maar in zee en velen werden opgepikt door de Europeesche schepen, welke in de haven lagen. Men kan zich niet voorstellen, hoe ontzettend het lijden was en nu nog is. De Armeniërs moeten zich behelpen met een zéér primitieve en slechte behuizing. Huizen zonder deuren en ramen. Gelukkig wordt er veel gewerkt, om het lijden dier ongelukkige Christenen te verzachten.

Een groot aantal zéér duidelijke en hoogst interessante lichtbeelden toonden ons de ellende van dit volk.

De voornaamste oorzaak, noemde spr. de haat van den Islam tegen het Christendom en met deze woorden beindigde zij haar lezing. De heer Rou dankte mej. de Witte voor het gesprokene en wekte een elk op er toe mede te werken het leed van dit arme verdrukte volk te verzachten.

Colofon