De Tijd, 9 juli 1899
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Voordracht van Minas Tchéraz

Een talrijk en uitgelezen publiek was gisteravond bijeen in de zaal van het Gebouw van den Werkenden Stand. Er was toegang tot een lagen entreeprijs, maar de aankondiging, dat er alleen Fransch zou worden gesproken, had uitsluitend dames en heeren uit de meer ontwikkelde klasse derwaarts gevoerd. Op het podium was een eenvoudige, smaakvolle plantversiering aangebracht, de vloer was belegd met perzische tapijten en er stonden vier chique fauteuils, waarop precies half negen drie leden van de Tweede Kamer plaats namen, de heeren: dr Kuyper, dr Vermeulen en Lieftinck, als vertegenwoordigers der drie groote politieke partijen in den lande. Zij strekten tot geleide van den Armeniër Minas Tchéraz, die in hun midden plaats nam en door dr Kuyper aan de vergadering werd voorgesteld.

Minder in hetgeen gesproken zou worden, dan in het feit, dat hier een vertegenwoordiger van het verdrukte Christenvolk als aanklager tegen de Porte optrad, nadat hem dit te 's-Gravenhage door de Regeering was belet, maar het allermeest in de omstandigheid, dat zijn openlijk optreden geschiedde onder bescherming van drie Kamerleden, lag de hooge politieke beteekenis van den avond. Hier had men een terugtrekken, een herstel van grieven, een reparatie van de armzalige houding, door ons huidig ministerie aangenomen tegenover de turksche diplomatie. Terwijl de minister van Buitenlandsche Zaken zich moest tevreden stellen met een nietszeggende rectificatie, waarin der goegemeente werd diets gemaakt, dat de haagsche politie op eigen initiatief gehandeld heeft en het bemoeilijken der Jong-Turken en van Minas Tchéraz niet van haar is uitgegaan, heeft het deftig publiek der hoofdstad de eer van ons volk weer overeind gezet. Nu het optreden van Minas Tchéraz ditmaal geschiedde onder het oog en met medeweten der amsterdamsche politie, zal de weg voor de Armeniërs in ons land wel voortaan gebaand blijven. Het démenti aan de Regeering is volkomen.

Het eerst sprak dr Kuyper, wiens rede ongeveer luidde als volgt:

Pijnlijk getroffen door het weerzinwekkend optreden onzer autoriteiten in Den Haag, hebben mijn geëerde collega's en ik onmiddellijk de hooge noodzakelijkheid begrepen, om in de hoofdstad zelve een conferentie te houden, uitsluitend gewijd aan het lijden van Armenië. Tijdens de afgrijzelijke moorden waarvan de Armeniërs in hun bergen, te Konstantinopel zelfs, en in alle vilayets van Klein-Azië de beklagenswaardige slachtoffers zijn geweest, heeft ons hart gesidderd van verontwaardiging; onze ziel heeft gebeefd van onzegbaren toorn. Het treurig schouwspel, dat zich in die dagen heeft afgespeeld op de hellingen van den Arrarat en tot onder de schaduw van het Paleis te Yildiz-Kiosk, was een slachting die u van schrik deed verstijven, een meer dan beestachtige en verschrikkelijke moordpartij, een beleediging voor het menschdom, een smaad voor de Christenheid. En toen wij het Christelijk Europa tegenover de verschrikkellijke en afschuwelijke tooneelen de armen hebben zien kruisen en zich doof houden voor den oproep van Gladstone, den eenigen die een moordenaar een moordenaar durfde te noemen, zijn wij verward en verstomd gebleven, en het geheele hollandsche volk, zonder onderscheid van partij, voelde zich hevig in het aangezicht geslagen door de onmacht en de schuldige lafheid van een diplomatie, die genoodzaakt was toe te zien, waar zoo groot een kwaad word gedaan.

Sedert heeft al drie jaren de bloedkreet van het armenische ras onze ooren en ons hart verscheurd. En thans, ziedaar, vereenigt zich de Vredesconferentie in het Huis ten Bosch, die geliefkoosde verblijfplaats van de prinsen van Oranje, die hun bloed gestort hebben voor de vrijmaking van verdrukte naties. En... Transvaal wordt niet toegelaten, de Oranje-Vrijstaat is uitgesloten, en de Armeniërs, die komen om voor den Areopagus van Europa hun bittere klachten te doen hooren, vinden er de deur gesloten door het programma van den Czaar-zelf. En als de kampvechter van dat verdrukte volk zich tot het publiek wendt om zijn heilige zaak te bepleiten, zijn het onze autoriteiten die hem allerlei last veroorzaken, en die er zelf een oogenblik in slagen om de stem der martelaren te verstikken.

Waarlijk, dames en heeren, wij blozen van schaamte, dat een dergelijk gebrek aan eerbied voor zoo groote smart te onzen last komt, op het oogenblik dat de oogen der gansche wereld op ons vaderland zijn gevestigd. Als goede vaderlanders gevoelen wij ons beschoomd en vernederd voor geheel Europa, en toen wij lazen, dat de buitenlandsche pers ons in dit opzicht verwijten maakte, brandde ons het gloeiend ijzer in het gelaat. Alle tijden door was ons dierbaar Nederland de toevlucht geweest der vervolgden, de laatste wijkplaats der verdrukten, de veilige haven voor ieder slachtoffer van tyrannie en despotisme. De vrijheid des woords, elders verstikt, herkreeg den adem op dezen heiligen grond onder het: Je maintiendrai op het wapenschild der Oranjes. Op onze persen is alles, alles gedrukt wat men heeft verboden in grootere rijken. Dat was onze vaderlandsche trots, onze nationale roem. En thans meent geheel Europa, dat wij zoozeer zijn gedegenereerd van de deugden onzer voorvaderen, dat wij onder den aandrang van den Sultan het vrije woord durfden te weigeren aan de slachtoffers van een bloedbad, dat voor altijd een vlek zal blijven aan het eind dezer eeuw.

In deze omstandigheden was het eenige middel om ons land van dezen smet te bevrijden, om de geheele wereld te toonen, dat de plagerijen van onze politie, wel verre van de uiting te zijn der publieke meening, werden afgekeurd en zonder voorbehoud veroordeeld door de geheele natie. (Daverend applaus). Gelukkig heeft onze pers met een zeldzame eenstemmigheid energisch en zonder aarzeling geprotesteerd. In alle kringen, en alle gesprekken, heeft men slechts één stem gehoord, een krachtige afkeuring van deze beleediging der nationale eer, van het geweten der menschheid, van de heiligheid der smart.

Onze bewonderenswaardige Braakensiek heeft het zoo goed uitgedrukt. (Geloei.) Ofschoon de kop van den nederlandschen leeuw zich buigt voor den Sultan, blijft die leeuw het schandaal verfoeien; hij slaat nog met zijn staart, heft dien op, strekt hem, zwaait hem fier in het rond. Daarom dus hebben wij volgehouden en gewild, dat in de hoofdstad zelve, in dat centrum van leven, waar het hart van heel het land klopt, dat een der pleiters is voor de zaak van dat volk, "schapen, goed voor de slachtbank," zijn stem van wanhoop zou doen hooren; en wij rekenen ons gelukkig, dat een van dezen aan onze roepstem gehoor heeft willen geven. Daarom is het mij een eer, bij u in te leiden Minas Tchéraz, den vrijwilligen balling zelf, den trouwen en van ijver bezielden tolk van het lijden en de hope van dat volk, tegen hetwelk men zoo meedoogenloos is opgetreden. Hij is 't, die terugkomend uit Parijs de eer van ons land gaat redden. Zoo geef ik dan aan u 't woord, Tchéraz; zeg vrij uit en zonder vrees al wat gij wenscht te zeggen. Aan ons de verantwoording! (Algemeen applaus). En gij, mijne dames en heeren, ten teeken van een algemeen excuus voor 't geen te 's-Gravenhage is gebeurd: begroet Tchéraz, begroet hem warm met een salvo van handgeklap. (Langdurig applaus).

Alsnu hield Minas Tchéraz een voorlezing in vloeiend Fransch.

Zijn uiterlijk is dat van een beschaafd en op europeesche leest gevormd Oosterling. Aanvankelijk was zijn voordracht rustig, kalm en ingehouden, maar aan het slot, toen de Armeniër scheen te improviseeren, flikkerde de bliksem in de gloeiende strofen van den Aziaat, die trouwens door zijn hollandschen voorganger was aangemoedigd en voorgegaan.

Minas Tchéraz gaf een schets van de ligging van Armenië, op het schiereiland tusschen de Zwarte en de Middellandsche Zee, dat men het oostersche Zwitserland zou kunnen noemen en waarvan de Arrarat de Mont-Blanc mocht heeten. Oorspronkelijk was deze bergvlakte van Klein-Azië bewoond doet Assyriërs, Babyloniërs en andere volken, maar gelegen tusschen de oostersche en westersche volken was het menigmaal hun slagveld. De Armeniërs bezetten oudtijds een dicht bevolkt terrein en hun aanwas werkte allerwege de kolonisatie in de hand. Men vindt ze dan ook overal verspreid, ook in Nederlandsch Indië; hier te lande, te Amsterdam, hadden de Armeniërs vroeger een bloeiende nederzetting met een kerkje op Kromboomsloot, waarin thans een bewaarschool is gevestigd

De armenische litteratuur is over de geheele wereld verspreid; ook hier te lande zijn armenische boeken gedrukt en werden zelfs armenische munten geslagen. Het is een domheid, te gelooven dat de Armeniërs tot de half- of kwartbeschaafde volken behooren, en nog dommer is het gouvernement, dat dit volk niet in eere houdt. De Armeniër munt uit door gehoorzaamheid aan de gestelde macht, hij eerbiedigt tot zelfs een tyran als de Sultan. Het is moeilijk te begrijpen, waarvandaan de haat komt, die de Turk den Armeniër toedraagt. Er zijn er die meenen, dat de Armeniër gehaat wordt om zijn handelsgebruiken en omdat bij hem god Mercurius wat te veel hecht aan zijn tweeslachtig bedrijf, dat van den handel en dat van de dieven. Maar sedert wanneer beoordeelt men een geheel volk naar den maatstaf van enkele individuen? Er zijn bij ons, zooals overal elders ter wereld, engelen en duivelen, maar nergens in het Oosten wordt zoo weinig handel gedreven als door de Armeniërs, die voor 85 percent allen landbouwers zijn.

Neen, de oorzaak der verdrukking is geen andere dan de godsdienstige onverdraagzaamheid; zijn Christendom strekt den Armeniër tot zijn nationaal verderf. Reeds vroeg omhelsde het armenische volk, gelegen rond den Arrarat, de leer van den Gekruiste, maar ook reeds vroeg en zonder ophouden heeft het daarvoor zijn martelaars gehad, die bij duizenden vielen onder de moordzuucht van Perzen en Tartaren, totdat de Turken nu onlangs den genadeslag gaven. Toch blijft Armenië een Christen oase in de woestijn van den Islam en het Patriarchaat van den Arrarat is als een voortdurende prikkel voor het Mohammedaansch fanatisme.

Men weet wat er in de laatste jaren heeft plaats gehad en hoe de Sultan er steeds op uit was om zoogenaamd de Armeniërs te beschermen. Het waren en bleven beloften en bedriegerijen. Telkens bleek, dat de Armeniër vogelvrij was en de schoonste beloften onuitgevoerd bleven. Vandaar dat eindelijk de Armeniërs beseften, dat zij, overal elders hulp zoekend, ook op zich zelf moesten rekenen. Zij hebben thans op verschillende plaatsen in de wereld hun dagbladen, die niet overal hetzelfde karakter bezitten en soms anarchistische strevingen najagen. En nu is het waar, dat de jongste gruwelen hebben plaats gehad naar aanleiding van aanvallen, door Ameniërs op Turken; maar het is evenzeer waar, dat die aanvallen geschiedden in staat van wettige zelfverdediging.

Dit laatste ontkent men evenwel, omdat men een voorwendsel noodig heeft om de ontzettende moordtooneelen te vergoelijken en om de Armeniërs bij voortduring te kunnen martelen. Gij Europeanen, hebt eenmaal een Bartholomeusnacht gezien, maar die duurde slechts één nacht. Onze Bartholomeusnacht duurde drie jaren en is nog niet geëindigd. En het staat vast, dat men slechts aan den moord en de vlammen kan ontkomen, als men zijn geloof verzaakt en tot den Islam overgaat. Europa ziet dit aan en kruist de armen. Waarom? Och, de Turken zijn voor den handel zulke goede afnemers! Eindelijk besloten Engeland, Rusland en Oostenrijk tot een enquête en daarbij kwamen de gruwelen in al haar verschrikking aan het licht. Maar alles wat gedaan werd was het zenden van een paar krachtelooze vermaningen aan de Porte. Er was een machtige vloot van Engeland in zee, maar die vloot bleef varen. Rusland kon geen sympathie gevoelen voor slaven met een kleine s en Duitschland had voor 300,000 gemartelde Armeniërs nog niet de botten over van één enkelen pommerschen grenadier.

Nu hing spr. een bloedig tafereel op van de ontzettende gruwelen, die er gepleegd werden en waarover hij uit eerbied voor het gevoel van zijn publiek niet in te veel bijzonderheden wilde treden.

Indien ik zeide, vervolgde hij, dat al die misdaden zijn uitgevoerd op last van de Porte dan herhaalde ik slechts wat de officieele blauwe en gele boeken hebben vermeld. Maar met dat al, er kwam geen hulp. Iedere natie onttrok zich; het eenige wat men deed was wat geld te zenden voor de weezen der verdrukten en der martelaren. Ik doe echter een beroep op het hart van alle beschaafde natiën; ook van de Nederlanders. Wij zijn een beschaafd volk als gij. Wij hebben wel niet onze schilders als uw Rembrandt en uw Ostade, maar onzen Vondel, onzen Cats en onzen Hooft hebben wij wel. Wij hebben onze nationale taal en litteratuur, wij hebben onze volkstraditie, onze idealen, onzen eigen godsdienst, onze eigen kerk als gij. Als een proeve van armenische poëzie gaf spr. eenige strofen uit verschillende dichters, die levendig werden toegejuicht.

Toch durfde een blad als de Manchester Guardian te beweren, dat de gemartelde Armeniërs tot een barbaarsch ras behooren en dat het halve wilden waren, die mishandeld werden. Maar bedenk, zei spr., dat is een grove onwaarheid! De Armeniërs zijn een volk van het Kaukasische ras met een indo-europeesche taal, Christenen als gij. Wij zijn evenzeer ontwikkeld en hebben hetzelfde gevoel als de gentlemen en misses van Bayswater, de wijk der voorname Engelschen te Londen. Als men leest, wat de Armeniërs geschreven en gedrukt hebben, dan gevoelt men wel, dat de geslachte schapen geen geestelooze lieden waren, wien het aan gevoel en ontwikkeling ontbreekt

Welk een vreugde voor den Armeniër, toen hij vernam, dat de Tsaar een vredesconferentie had bijeengeroepen. De vrede zou komen uit 's-Gravenhage! Natuurlijk daar moesten zij steun en hulp gaan halen. Kon ik denken, dat de liefelijke vrededuive niets anders zou blijken dan een ellendige musch! Ik klopte aan op het Huis ten Bosch, maar vond de poort voor mij gesloten, voor mij, den pelgrim, die vraagt om recht en bescherming voor zijn volk. Men zeide mij, dat wij geen leger hebben en geen vloot, maar men weet toch wel, dat wij een leger hebben van 300.000 martelaren en dat onze vloot ligt op den bodem van den Bosporus. Wat is dan de vrede, dien de Tsaar van Rusland brengen zal, de Tsaar, die den ondergang van mijn volk had kunnen verhinderen?

Verder wijst spreker op de behandeling, die hij van de Haagsche politie moest ondergaan. Dat was hem nog nergens gebeurd. Overal heeft de politie hem tot dusver ongemoeid gelaten, zelfs in Turkije. En nu voelde hij hier, in het vrije Nederland, de hand van den politieman op den schouder, omdat men de gevoeligheid der Turksche diplomaten wilde ontzien. Men heeft hem gezegd, dat hij vóór of na de Conferentie had moeten komen, maar welk schuldeischer komt niet bij zijn debiteur, juist als deze geld heeft? (Gelach).

Ik moest immers op het Huis ten Bosch wezen, toen de vertegenwoordigers der Mogendheden er bijeen waren, om deze te herinneren aan de door hen geschonden beloften en verplichtingen. Ik moet immers op het Huis ten Bosch zijn om de mannen te spreken, voor wie al de welriekende specerijen van Arabië niet voldoende zijn om den bloedreuk te weren, die van hun beenderen stinkt.

Volk van Nederland, dat voor drie eeuwen in uw vrijheid de gastvrijheid gaf aan mijn voorouders, ik vraag niet uw geld of uw bloed, – bewaar ze als het noodig is uw eigen land te verdedigen, daar de Conferentie den vrede niet brengen zal. Ik vraag alleen uw sympathie voor het volk aan den Arrarat, dat zoo diep gebukt gaat onder de onverschilligheid en de onderlinge jalousie der mogendheden.

Aan U, Koningin Wilhelmina, U, de incarnatie van het verhevene en het reine, ook U vraag ik een gunst. Geknield aan uwe voeten smeek ik uit naam van de moedors, de zusters en de bruiden van 300,000 vermoorde Armeniërs, heb medelijden met ons en veroorloof niet, dat de beulen met hun vuile lippen uw blanken engelenhand bezoedelen.

Nadat het stormachtig applaus, hetwelk op deze woorden volgde, bedaard was, maakte dr Kuyper zich tot tolk van het publiek in de volgende woorden:

Zeker van de instemming van alle aanwezigen, breng ik u onzen warmen en welgemeenden dank voor de zoo welsprekende en treffende rede, die wij mochten aanhooren. Wij hebben bovenal de gematigdheid uwer klacht en de soberheid uwer toespraak bewonderd. Wel hebben wij één- en andermaal den toorn tegen uw beulen zien schitteren in uw oog en hooren beven in uw stem, maar het vuur der wraak is niet uitgebroken. Tot het einde zijt gij u-zelf gebleven. Als goed Christen hebt ge alzoo gesproken, wetende dat de wraak blijft aan Hem, die eenmaal alle Caïns zal oordeelen in dit ééne vonnis: "Er is een stemme des bloeds van uw broeder, die tot Mij roept van de aarde."

"Onder die bouwvallen van Babylon, zegt de Schrift, zal teruggevonden worden het bloed van alle degenen, die ter dood gebracht zijn." En in de Openbaring van den H. Johannes roepen de martelaren met luider stemme uit: "Heer, tot wanneer zult gij wachten met ons bloed te wreken aan hen, die het vergoten hebben!" Onder de martelaren daar in den hemel zijn ook martelaren van Armenië, die hun stemmen verheffen in koor met de martelaren uit het verledene.

Aan God dan de wrake, aan ons het gebed, ook voor onze beulen; alleenlijk in dit uw geval zonder de bijvoeging: "zij hebben niet geweten wat zij hebben gedaan"; want de hoofddaders althans hebben het voorzeker geweten; en wat zij gedaan hebben, hebben zij uit vrijen wil gedaan.

Dat uw volk dan noch zijn geduld noch zijn moed verlieze. Achtereen volgens heeft voor de Grieken, de Montenegrijnen, de Serviërs en de Bulgaren het uur der bevrijding geslagen. Het zal ook slaan voor de uwen, al zij het misschien, dat uwe oogen zich zullen sluiten zonder het licht der vrijheid te hebben gezien. En als uw volk, wachtend, zijn troost wil zoeken in het smartelijk mededoogen van andere natiën, geeft dan uwen broeders door middel van uw blad de verzekering der ontwijfelbare sympathie van gansch het nederlandsche volk. (Applaus).

Met een "j'accuse" van Zola, beschuldigen wij allen de barbaren, die de aarde gedrenkt hebben met uw bloed; wij klagen de verantwoordelijke mannen aan, die voortgaan met u de knie op de borst te zetten; wij klagen een diplomatie aan zonder hart en zonder beginsel (applaus) die u hoeft opgeofferd aan haar eindelooze naijver.

Christenen of humanisten, heel een westersch volk draagt u op, uw volk in het oosten, dat gij zoo waardiglijk vertegenwoordigt, zijn bewondering over te brengen, zijn deelneming in uwe smarten, zijn gebed voor uwe toekomstige bevrijding.

Gij hebt een beroep gedaan op ons volk. Dat beroep gaat ons tot het hart. Gij hebt onze Koningin gehuldigd. O, ik begrijp, wat het voor u zou zijn, tot uwe wettige souvereine een Koningin te hebben als de onze (Stormachtig applaus); het zou voor u zijn uit de Hel in het Paradijs belanden. Wees verzekerd, dat uwe landgenooten waren, nog zijn en altoos zullen zijn het voorwerp onzer beste wenschen. Tscéraz, onze hulde aan de nagedachtenis uwer martelaren! Onze eerbiedige groet aan uw gemarteld volk.

Ik eindig met den uitroep: Leve Armenië!

De laatste kreet werd door het publiek onder daverend gejuich herhaald, en toen werd de bijeenkomst opgeheven.

Er was een merkwaardige regel in de boeken der Vaderlandsche historie geschreven.

Dinsdag a.s. des avonds te 8½ uur zal Minas Tchéraz in Diligentia te 's Gravenhage optreden. De heeren Van Asch van Wyck, Brummelkamp en Krap, leden der Tweede Kamer, met eenige journalisten, hebben zich tot een commissie vereenigd om de voordracht te doen plaats hebben.

Colofon