De Tijd, 3 januari 1878
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Armenië

(Particuliere Correspondentie.)

Tiflis, 20 Dec.

Nu de militaire operatiën tegen Erzeroem ten gevolge van het buitengewoon ruwe winter weder tot stilstand zijn gekomen, maakt men zich van russische zijde de gedwongen pause ten nutte om op het reeds bezette armenische gebied – en dit reikt, zooals men weet, van de russische grens bij Alexandropol tot dicht voor Erzeroem, en van Erzeroem tot aan Ardanoetsch – de russische administratie in te voeren. Dit geschiedt op eene wijze, welke duidelijk aantoont, dat in leidende russische kringen het plan vaststaat, turksch Armenië ditmaal in geen geval meer af te geven. Wijl nu de waarschijnlijkheid, dat de Turken den in Armenië verloren grond gedurende dezen veldtocht nog kunnen heroveren, microscopisch klein is, mag men het plateau van Opper-Armenië reeds thans als russisch eigendom beschouwen. Met het oog op deze verandering van bezit, welke vroeger of later ook door een internationaal verdrag zal moeten worden erkend, is het wellicht niet van belang ontbloot ter nadere kennismaking met Armenië eenige statistieke en ethnographische gegevens hieronder te laten volgen. Zij zullen uwen lezers te welkomer zijn, wijl de meeste opgaven, die in handboeken over Armenië voorkomen, meestal verouderd zijn en daarom weinig waarde bezitten.

Gelijk ik reeds zeide, vormt Armenië een plateau, dat zich gemiddeld 5000 voet boven de oppervlakte der zee verheft. De ligging van dit plateau is politiek en militair zeer gunstig; want men beheerscht van hier uit al de wegen, die eenerzijds van klein-Azië en van de Zwarte Zee uit naar het binnenland van Perzië, anderzijds van den Pontus en van het caucasische grensgebergte in het dal van den Euphraat voeren. Het klimaat van Armenië is zeer goed. De koude is wel is waar des winters strenger en de hitte des zomers grooter dan in Midden-Europa, maar toch is de luchtsgesteldheid niet ongezond. In welke richting men ook het plateau doorkruist, overal ontmoet het oog heerlijke weiden, waar prachtige paarden en talrijke kudden runderen in volle vrijheid grazen; vlakten en weelderige valleien, waar elk soort van graan welig tiert; uitgestrekte boomgaarden en wijnbergen, die wel geen voortreffelijken maar toch een drinkbaren wijn opleveren. In de diepten der bergen, welke de vlakten en valleien insluiten, bevindt zich overvloed van koper, zilver en lood – natuurschatten, die slechts wachten om genomen te worden; want onder de Turken is tot exploitatie van den rijkdom aan mineralen zoo goed als niets gedaan. Zooveel is in elk geval zeker, dat Armenië, wanneer men slechts iets tot ontwikkeling van het land doet, gemakkelijk eene tienmaal sterkere bevolking dan de tegenwoordige zal kunnen voeden. Rusland loopt dus geen gevaar aan Armenië een dier provinciën te krijgen, die de schatkist slechts drukken en steeds nieuwe offers vorderen. Integendeel, voeren de Russen een verstandig bestuur in en breken zij met het roofzieke systeem, dat onder de turksche heerschappij heerschte, dan mogen zij verwachten, dat Armenië binnen weinige jaren een hunner rijkste provinciën zal zijn.

Naast talrijke andere zijn er vier groote rivieren, die het armeensche plateau besproeien: de Euphraat, de Tiger, de Aras en de Koer. De valleien dezer rivieren zijn reeds van oudsher beroemd, want zij waren het, waardoor Xenophon de 10,000 Grieken voerde, wier terugtocht hij ons in zijne Anabasis verhaalt.

Naar de Zwarte Zee toe daalt het armeensche plateau trapsgewijze. De helling is overal met dichte wouden begroeid. Het terrein loopt eenerzijds naar Trebizonde, anderzijds naar Batoem af. De lange kuststreek tusschen deze beide steden herinnert door haar plantengroei veel meer aan het Zuiden dan het eigenlijke armenische plateau. Hier ziet men reeds overvloed van citroenen, oranjeappels, granaten, vijgen, zoete druiven en maïs.

De politieke hoofdstad van Armenië was tot dusver Erzeroem. Zij neemt zoowel in strategisch opzicht als in dat van handelspolitiek eene gewichtige positie op het armeensche plateau in; want van Erzeroem uit beheerscht men direct de wegen, welke van den eenen kant van Konstantinopel naar de perzische hoofdstad en van den anderen kant uit Georgië in de vallei van den Euphraat voeren. Reeds tot nu toe was de handel van Erzeroem betrekkelijk van belang zoowel wat in- als wat uitvoer betreft. De engelsche fabrikanten alleen zenden jaarlijks over Trebizonde en Erzeroem voor een bedrag van 250,000,000 gulden koopwaren naar Perzië. Het artikel van uitvoer bestaat hoofdzakelijk in graan, rundvee, schapen.

Nog in 1828 bedroeg het zielental der bevolking van Erzeroem 130,000, doch is allengs tot 40,000 geslonken. De schuld daarvan ligt geheel en al aan het turksch bestuur, onder welks invloed alles stil ligt: handel, nijverheid, landbouw enz. Voor 40 jaren namen de manufacturen en de handel van Erzeroem een voornamen rang in; sedert echter kwijnen zij en van de zijde der Regeering wordt zelfs geene poging gedaan om ze uit het verval weder op te heffen. Wat den landbouw aangaat, ziet het er waarlijk treurig uit. In geheel Armenië bearbeidt men ook thans nog den bodem op dezelfde wijze als ten tijde der patriarchen waarschijnlijk geschiedde, en wijl bovendien onder het turksch bestuur niets veilig was, liet men sinds tal van jaren uitgestrekte stukken grond braak liggen. Zoo kwam het, dat vele armenische valleien thans voor onvruchtbaar te boek staan, welke onder normale omstandigheden een rijken opbrengst zouden leveren. In een land, 't welk eenmaal zoo dichtbevolkt, zoo vruchtbaar en zoo rijk was, zijn slechts naakte ellende en stompzinnige gedruktheid te vinden – de sprekende bewijzen, dat een slechte Regeering binnen betrekkelijk korten tijd ook de door God en de natuur het meest gezegende streek kan ten gronde richten.

De eigenlijke bewoners van Armenië zijn buitengewoon rustige, werkzame en volhardende lieden. Tot hun ongeluk baatten hun echter die goede hoedanigheden weinig. Was het dit of dat dorp in verloop van tijd ondanks de financieele verdrukkingen mogelijk, een zekeren graad van welvaart te bereiken, dan werd vroeg of laat die welvaart toch het offer van den rooflust der Koerden-stammen, welke naast de gezeten bevolking een nomadenleven in Armenië leiden en die feitelijk van niets anders leven dan van roof en plundering. De Armeniërs hadden onder de turksche heerschappij behalve zich zelven ook nog de Koerden te voeden. Met name in de wintermaanden verschenen dezen geregeld in de valleien, ontnamen den boeren en zelfs aan de stedelingen alles wat zij tot hun onderhoud noodig hadden en togen eerst in de volgende lente weder heen, om strooptochten op perzisch en ook wel op russisch gebied te maken. Dit een en ander had ten gevolge, dat in de laatste 20 jaren een groot gedeelte der bevolking verhuisde. Jaar op jaar vestigden eenige duizenden turksche onderdanen zich op russisch gebied.

Colofon